ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1183
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A.A.T. Engbers
- J.R. Krol
- J.P. Killian
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na witwasveroordeling
De rechtbank Utrecht behandelde een ontnemingsvordering ex artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht tegen een veroordeelde die eerder was veroordeeld voor witwassen en andere strafbare feiten. De officier van justitie vorderde betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van €227.764, verminderd met de waarde van inbeslaggenomen goederen en geld, wat resulteerde in een netto vordering van €203.364, vermeerderd met rente.
De verdediging voerde aan dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te ruim was, onder meer omdat onvoldoende rekening was gehouden met persoonlijke omstandigheden en omdat de periode van berekening te lang was. De rechtbank verwierp het standpunt dat de berekening beperkt moest worden tot de bewezen verklaarde periode en stelde vast dat ook uit andere strafbare feiten voordeel was genoten. De rechtbank ging wel mee in een beperkte vermindering van de periode en matigde enkele posten, maar handhaafde de hoofdsom.
De rechtbank oordeelde dat de kasopstelling en de uitgangspunten daarvan voldoende onderbouwd waren. Verweren over de herkomst van banktegoeden in Marokko werden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid. De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om het bedrag van €203.364, vermeerderd met rente over de in beslag genomen gelden, aan de staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €203.364,- vermeerderd met rente ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.