ECLI:NL:RBUTR:2011:BT8496
Rechtbank Utrecht
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen weigering afgifte afschrift proces-verbaal getuigenverhoor ongegrond verklaard
In deze zaak heeft een getuige verzet aangetekend tegen de griffier van de rechtbank Utrecht vanwege de weigering om hem een afschrift te verstrekken van het proces-verbaal van zijn getuigenverhoor gehouden op 7 april 2011. De rechter-commissaris had dit verzoek eerder afgewezen. De getuige stelde dat hij als betrokkene bij zijn eigen verhoor recht had op het afschrift en dat hij niet als derde in de zin van artikel 28 lid 3 Rv Pro moest worden beschouwd.
De rechtbank oordeelt dat de getuige niet als belanghebbende in de procedure kan worden aangemerkt, omdat hij niet is verschenen als partij in het voorlopig getuigenverhoor tussen de belanghebbenden en de Staat. Zijn belangen betreffen slechts het verkrijgen van schriftelijke vastlegging van zijn verklaring met het oog op mogelijke strafrechtelijke of civielrechtelijke procedures, wat hem niet tot belanghebbende maakt.
Verder stelt de rechtbank dat het proces-verbaal wel degelijk tot het procesdossier behoort en dat artikel 28 lid 3 Rv Pro de afgifte aan derden beperkt. De belangen van de getuige rechtvaardigen geen afwijking van deze wettelijke regeling. Indien de verklaring in een andere procedure relevant wordt, kan hij daar via de daarvoor bestemde procedurele middelen een afschrift verkrijgen.
Daarmee is het verzet tegen de weigering van de griffier om het proces-verbaal af te geven ongegrond en wordt het verzet verworpen. De beschikking is op 5 oktober 2011 door de voorzieningenrechter Boonekamp in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzet tegen de weigering van de griffier om een afschrift van het proces-verbaal te verstrekken is ongegrond verklaard.