ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1588

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
25 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16.710365-10 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende wettig bewijs oplichting kamerhuurders

De rechtbank Utrecht behandelde op 25 oktober 2011 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van oplichting van meerdere kamerhuurders en deelname aan een criminele organisatie met dat doel. De officier van justitie baseerde haar bewijs op verklaringen van een medeverdachte en diverse aanwijzingen zoals wijziging van bankrekening en gebruik van sleutel en auto van een medeverdachte.

De verdediging betoogde dat de verklaring van de medeverdachte niet als bewijs mocht worden gebruikt omdat deze niet was ondervraagd vanwege zijn verschoningsrecht, en dat er onvoldoende bewijs was voor de wetenschap van verdachte omtrent de oplichting. De rechtbank oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren, deze niet voldoende waren om wettig bewijs te vormen dat verdachte wist van de oplichting.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. Tevens werd gelast tot teruggave van in beslag genomen voorwerpen die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het vonnis werd gewezen door drie rechters, waarbij één rechter niet medeondertekende.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs voor oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16.710365-10 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2011
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1978] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. samen met een ander [benadeelde 1], [benadeelde 2] en andere potentiële kamerhuurders heeft opgelicht, dan wel dat hij [medeverdachte 1] daarbij behulpzaam is geweest;
2. heeft geprobeerd om [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en andere potentiële kamerhuurders op te lichten, dan wel dat hij [medeverdachte 1] daarbij behulpzaam is geweest
3. heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had mensen op te lichten.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 primair, 2 primair en 3 heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd op 1 november 2010, en voert aan dat deze verklaring betrouwbaarder is dan de ontkennende verklaring van verdachte, omdat [medeverdachte 1] zichzelf in die verklaring niet heeft gespaard. Bovendien vindt deze verklaring op meerdere onderdelen steun in het dossier, aldus de officier van justitie. Zij wijst erop dat uit het feit dat verdachte met [medeverdachte 2] op de Amsterdamsestraatweg kwam, zich heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en zijn bankrekeningnummer heeft gewijzigd, kan worden afgeleid dat hij ook wist waarom er een ander bankrekeningnummer nodig was. Bovendien had verdachte de huissleutel en auto van [medeverdachte 2] in gebruik. De officier van justitie wijst erop dat verdachte een pinpoging heeft gedaan bij de bank die mislukte en vervolgens geen actie heeft ondernomen om te ontdekken wat er aan de hand was. Ook hieruit kan zijn wetenschap worden afgeleid, aldus de officier van justitie. De officier van justitie voert aan dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat anderen dezelfde truc hebben uitgevoerd en dat na zijn benadering van [medeverdachte 2] en verdachte ook Utrechtse studenten de dupe zijn geworden van de oplichting. [medeverdachte 1] had in de organisatie een meer leidende rol dan verdachte. De duur van de samenwerking is lang genoeg om tot een bewezenverklaring te komen, aldus de officier van justitie.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman wijst erop dat de verklaring van [medeverdachte 1] van 1 november 2010 niet gebruikt mag worden voor het bewijs, nu de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen omdat [medeverdachte 1] zich bij deze ondervraging heeft beroepen op zijn verschoningsrecht als (mogelijke) verdachte en omdat het bewijs van de wetenschap van verdachte in beslissende mate berust op deze verklaring van [medeverdachte 1]. De raadsman verwijst daarbij naar HR 14 september 1998, NJ 1998, 910 en HR 27 februari 2001, NJ 2002, 101. De raadsman concludeert primair dat, nu deze verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs, vrijspraak dient te volgen.
Subsidiair is de raadsman van mening dat uit de verklaring van [medeverdachte 1] niets valt af te leiden over de wetenschap van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde. Ook om die reden dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.
Ook indien de rechtbank van oordeel is dat het niet in strijd is met het bepaalde van artikel 6 van Pro het EVRM om de verklaring te gebruiken voor het bewijs, staat de onbetrouwbaarheid van deze verklaring het gebruik ervan in de weg. [medeverdachte 1] verklaart namelijk dat verdachte [medeverdachte 2] heeft geronseld terwijl volgens getuige [getuige] [medeverdachte 2] heeft verteld te zijn benaderd door een man met de naam [naam]. De raadsman concludeert ook in dat geval tot vrijspraak. Indien de rechtbank zou overwegen de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs te gebruiken, verzoekt de raadsman om [getuige] als getuige te horen.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat verdachte betrokken is geweest bij de tenlastegelegde feiten. Zo heeft verdachte de naam van zijn bedrijf gewijzigd bij de Kamer van Koophandel en een andere bankrekening geopend op verzoek van [medeverdachte 1]. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of verdachte deze handelingen heeft verricht in de wetenschap dat er sprake was van (poging tot) oplichting. Verdachte heeft dat steeds gemotiveerd betwist. Daarbij heeft hij ook een alternatieve verklaring gegeven voor de aanwijzingen van betrokkenheid bij strafbare feiten. Hoewel de verklaring van [medeverdachte 1] doet vermoeden dat verdachte wellicht meer wist dan hij verklaart, kan de rechtbank de wetenschap van verdachte niet met voldoende mate van zekerheid rechtstreeks uit deze verklaring afleiden, nog daargelaten de vraag of deze verklaring voor het bewijs gebezigd mag worden.
Dit maakt dat het dossier weliswaar voldoende aanwijzingen bevat die een verdenking tegen verdachte rechtvaardigden, maar onvoldoende om tot wettig bewijs van het tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal verdachte daarom van de feiten 1 (primair en subsidiair), 2 (primair en subsidiair) en 3 vrijspreken.
5 Het beslag
5.1 De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
6 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2 en 7.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 oktober 2011.
Mr. Kruijer was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.