ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4692
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige toewijzing hoofdverblijfplaats minderjarige aan vader na ongeoorloofde overbrenging naar Portugal
De vader verzoekt de rechtbank om het hoofdverblijf van zijn minderjarige dochter bij hem vast te stellen en vraagt om een voorlopige voorziening, omdat de moeder het kind zonder zijn toestemming naar Portugal heeft gebracht en daar houdt. Partijen hebben gezamenlijk gezag over de dochter. De moeder had slechts toestemming voor een tijdelijk verblijf gegeven, maar besloot eenzijdig in Portugal te blijven, wat in strijd is met het gezamenlijke gezagsrecht.
De rechtbank oordeelt dat de vader in staat is de verzorging en opvoeding van de dochter op zich te nemen en dat de moeder handelt in strijd met de belangen van het kind door haar eenzijdige beslissing. De moeder verschijnt niet op de zitting en haar verweer wordt beoordeeld. De rechtbank constateert dat de moeder niet heeft gesteld dat er weigeringsgronden zijn op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag.
De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de dochter wordt voorlopig aan de vader toevertrouwd. De bodemprocedure over het hoofdverblijf wordt aangehouden tot 8 februari 2012, mede in afwachting van een Portugese procedure over teruggeleiding. De moeder wordt in haar verzoek tot voorlopige toewijzing afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige toewijzing van het hoofdverblijf van de minderjarige aan de vader toe en wijst het verzoek van de moeder af.