ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6188

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
21 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
312455/FT-RK 11.1097
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 Faillissementswet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek wettelijke schuldsanering wegens ontbreken administratie ex-ondernemer

De verzoeker, een ex-ondernemer, diende een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hij kon echter geen administratie of jaarstukken van zijn voormalige onderneming overleggen, omdat deze volgens zijn verklaring door een derde was vernietigd. Deze verklaring werd niet met stukken onderbouwd.

De rechtbank gaf verzoeker de gelegenheid om alsnog stukken aan te leveren, maar hij heeft geen aanvullend bewijs overlegd of aangegeven pogingen te hebben ondernomen om de administratie te achterhalen. De schulden van ruim € 51.860,13, waaronder vorderingen van een advocatenkantoor en de Belastingdienst, vloeien voort uit de bedrijfsvoering van de onderneming.

Op grond van artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet moet verzoeker aannemelijk maken dat hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Door het ontbreken van een deugdelijke administratie kon dit niet worden aangetoond. De rechtbank concludeerde dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling daarom moet worden afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een deugdelijke administratie en onvoldoende bewijs van te goeder trouw zijn.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector handel en kanton
zaaknummer: 312455/FT-RK 11.1097
uitspraakdatum: 21 november 2011
uitspraak op grond van artikel 288 van Pro de Faillissementswet
(“afwijzing toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoeker],
wonende [adres], [woonplaats],
hierna: de verzoeker.
De verzoeker heeft op 13 september 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 7 november 2011 in aanwezigheid van de verzoeker.
De verzoeker is na afloop van de terechtzitting tot 14 november 2011 in staat gesteld zijn verzoek aan te vullen met de ontbrekende stukken. De verzoeker heeft zijn verzoek niet aangevuld.
De uitspraak is bepaald op heden.
Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt dat de verzoeker een totale schuldenlast heeft van € 51.860,13. Onder deze schuldenlast bevinden zich onder andere:
- Een vordering van € 33.853,98 van Trimbach Advocatenkantoor te De Meern;
- Een vordering van € 5.323,00 waarvan de oorspronkelijk schuldeiser niet is genoemd, maar waarvan de vordering in behandeling is bij AGC Gerechtsdeurwaarders te Zwolle;
- Een vordering van € 1.499,00 van de Belastingdienst Utrecht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De verzoeker heeft blijkens een bij het verzoek gevoegde kopie van het uittreksel uit het handelsregister van 29 juni 1978 tot 6 augustus 2008 een onderneming gedreven. Bovengenoemde schulden vloeien voort uit de bedrijfsvoering van deze onderneming. Bij zijn verzoek heeft de verzoeker geen overzicht van de administratie of jaarstukken overlegd. In het verzoek en ter terechtzitting heeft de verzoeker verklaard dat deze zou zijn vernietigd door de derde die de onderneming van de verzoeker in 2008 heeft overgenomen. De verzoeker heeft deze verklaring niet met stukken onderbouwd. Ter terechtzitting heeft de verzoeker nog tot 14 november 2011 de gelegenheid gekregen om onderzoek te doen of hetzij deze derde, hetzij de boekhouder van zijn voormalige onderneming nog over (delen van) de administratie of jaarstukken beschikt. De verzoeker heeft voor de genoemde datum geen stukken aan de rechtbank overlegd. Ook overigens heeft hij niet aangegeven of hij pogingen heeft ondernomen nog iets van de administratie of jaarstukken te achterhalen.
Volgens artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. De eerdergenoemde schulden komen voort uit de bedrijfsvoering van de onderneming van de verzoeker. Nu de verzoeker ten aanzien van deze onderneming niet heeft aangetoond dat hij zijn wettelijke verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie is nagekomen, kunnen de schulden niet als te goeder trouw worden aangemerkt.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.
De verzoeker heeft zijn verklaring dat de administratie vernietigd zou zijn onvoldoende onderbouwd, hoewel hij daarvoor ook na de terechtzitting nog de tijd heeft gehad. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is dan ook onvoldoende gebleken.
Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op
21 november 2011.