ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7614
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen directe overeenkomst tussen partijen bij vrijwillige ruilverkaveling en afwijzing schadevordering
In deze zaak staat centraal of er een directe overeenkomst is ontstaan tussen eisers en BBL in het kader van een vrijwillige ruilverkaveling, vastgelegd in een notariële akte van 3 april 2000. Eisers stellen dat BBL tekort is geschoten in haar verplichtingen door de strook grond niet aan hen aan te bieden, zoals overeengekomen, en vorderen schadevergoeding.
De rechtbank stelt vast dat de notariële akte verwijst naar afspraken tussen BBL en een derde partij, niet rechtstreeks tussen BBL en eisers. De omschrijving in de akte duidt op een verplichting jegens de koper van de boerderij, niet specifiek eisers. Er is geen bewijs voor een mondelinge overeenkomst tussen BBL en eisers. Het beroep op het Haviltex-criterium leidt niet tot een andere conclusie.
Eisers betogen verder dat BBL onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende te informeren over de risico's dat de ruilverkaveling de afspraken zou doorkruisen. De rechtbank erkent dat BBL als professionele partij wist of had moeten weten dat zij na de wettelijke ruilverkaveling geen zeggenschap meer zou hebben over de strook grond en erfdienstbaarheid. BBL had een duidelijk voorbehoud moeten maken, maar heeft dat nagelaten, waardoor zij onzorgvuldig heeft gehandeld.
Desondanks leidt deze onzorgvuldigheid niet tot toewijzing van de gevorderde verklaringen van recht of schadevergoeding, omdat eisers onvoldoende hebben gesteld over het causaal verband tussen het handelen van BBL en de geleden schade. De vorderingen worden daarom afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eisers worden afgewezen wegens het ontbreken van een directe overeenkomst en onvoldoende causaal verband voor schadevergoeding.