ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8252

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
9 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16-440727-11 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij

De rechtbank Utrecht heeft op 9 november 2011 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het kweken van hennep en diefstal van elektriciteit. De rechtbank baseert haar oordeel op het strafdossier en het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde gedurende de periode van 1 augustus 2010 tot 11 maart 2011 twee oogsten van elk 450 hennepplanten heeft gerealiseerd. Uit ervaringsregels en politieonderzoek blijkt dat per plant gemiddeld 28,2 gram hennep wordt geoogst, met een verkoopprijs van €3,28 per gram. De bruto opbrengst wordt berekend op €83.246,40.

Van dit bedrag trekt de rechtbank de kosten af, bestaande uit de inkoop van stekjes (€4,00 per stuk), kweekmedium en voedingsstoffen (€3,33 per plant), en afschrijvingskosten (€300 per oogst), totaal €7.197,00 voor twee oogsten. Het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt daarmee vastgesteld op €76.049,40.

De verdediging voerde aan dat slechts één oogst succesvol was, maar dit werd door de rechtbank niet aannemelijk geacht, mede vanwege de verklaring van de partner van de veroordeelde. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen als ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €76.049,40 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
Parketnummer: 16/440727-11 (ontneming)
beslissing van de rechtbank d.d. 9 november 2011
in de ontnemingszaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] (Bulgarije), op [1976]
wonende te [woonplaats], [adres]
raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht
1. De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
- het strafdossier onder parketnummer 16/440727-11 waaruit blijkt dat verdachte op 9 november 2011 door deze rechtbank is veroordeeld terzake van de teelt van hennep en diefstal van elektriciteit tot de in die uitspraak vermelde straf;
- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;
- de overige stukken.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht.
2. De beoordeling.
Verdachte is door de rechtbank bij vonnis d.d. 9 november 2011 ter zake van het kweken van hennep en diefstal van elektriciteit veroordeeld tot de in die uitspraak vermelde straf.
De rechtbank ontleent aan de inhoud van het voornoemde vonnis en het strafdossier het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in art. 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 76.049,40. Dit voordeel is als volgt berekend.
De rechtbank gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de berekening in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, genummerd PL091A 2011055620. Zij is echter van oordeel dat de daarin vervatte berekening niet geheel juist is, nu bij de vermenigvuldiging en optelling van de bedragen de uitkomsten niet geheel kloppend zijn.
Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uitgangspunten:
- veroordeelde heeft erkend dat hij op 1 augustus 2010 is begonnen met een hennepkwekerij en dat hij deze tot 11 maart 2011 in werking heeft gehad;
- aannemelijk is geworden dat veroordeelde in voornoemde periode tweemaal 450 hennepplanten heeft geoogst;
- de rechtbank stelt vast dat de gemiddelde oogst per plant naar uit ervaringsregels en politieonderzoek is gebleken, bij een kwekerij als bij veroordeelde is aangetroffen, 28,2 gram per plant oplevert;
- de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep bedraagt volgens ervaringsregels € 3,28.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel: 2 oogsten x 450 planten x 28,2 gram x € 3,28 opbrengst per gram = € 83.246,40.
Verder gaat de rechtbank uit van de volgende kostenposten die naar het oordeel van de rechtbank zijn toe te schrijven aan de oogsten in de voornoemde periode:
- veroordeelde heeft verklaard dat hij de hennepstekjes heeft ingekocht voor € 4,00 per stuk;
- de rechtbank zal de kosten voor het kweekmedium, het waterverbruik en de benodigde voedingsmiddelen gelet op ervaringsregels en het kweekschema voor hennepplanten op gemiddeld € 3,33 per plant stellen;
- de rechtbank zal de afschrijvingskosten van de investering die veroordeelde heeft moeten maken voor het inrichten en opbouwen van de kwekerij, op basis van ervaringsgegevens, vaststellen op € 300,00 per oogst;
- de rechtbank zal de kosten voor het elektriciteitsverbruik van de kwekerij, gelet op het feit dat nergens blijkt, dat deze door de veroordeelde reeds zijn betaald aan de energieleverancier, buiten beschouwing laten bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- de rechtbank zal de kosten van huur van de ruimte die in verband met de kwekerij door veroordeelde is gehuurd, voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing laten, aangezien het de woning van de veroordeelde betrof en de huurkosten onafhankelijk van het delict zijn gemaakt.
Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van de kosten per oogst: (450 planten x € 4,00) + (450 planten x € 3,33) + afschrijvingskosten ad € 300,00 = € 3.598,50. Omdat sprake is van twee oogsten, bedraagt het totaal van de op het berekende voordeel in mindering te brengen kosten 2 x € 3.598,50 = € 7.197,00
Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het netto wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van opbrengst ad € 83.246,40 minus kosten ad € 7.197,00 = € 76.049,40.
Het verweer namens veroordeelde dat hij een veel lager voordeel heeft genoten van de door hem opgezette hennepkwekerij, omdat slechts sprake zou zijn geweest van één gelukte oogst, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden en vindt zijn weerlegging mede in de verklaring van verdachtes partner dat sprake was van twee oogsten.
3. De beslissing.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 76.049,40.
Zij legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 76.049,40, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. P. Bender, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.C. van de Ven-de Vries en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 november 2011.
Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat deze beslissing mee te ondertekenen.