ECLI:NL:RBUTR:2011:BU8608

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
19 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/992009-11 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AWRArt. 8 AWR
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs voor leidinggeven aan niet doen van omzetbelastingaangiften

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het geven van opdracht of feitelijke leiding aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door een BV over diverse periodes in 2009 en 2010.

De rechtbank stelde vast dat de BV in de betreffende periodes geen aangiften omzetbelasting had ingediend, terwijl omzet werd gegenereerd. De tenlastelegging bestond uit twee feiten: het niet doen van aangiften en het onjuist doen van aangiften. De verdediging voerde aan dat er geen bewijs was dat verdachte leiding gaf aan deze gedragingen en dat het aangifteformulier onder feit 2 niet daadwerkelijk was ingediend.

Na beoordeling van het dossier concludeerde de rechtbank dat verdachte niet als opdrachtgever of feitelijk leidinggevende kon worden aangemerkt. Ook was onvoldoende bewijs dat het aangetroffen aangifteformulier daadwerkelijk was ingediend bij de Belastingdienst. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en was niet verschenen. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van beide feiten.

De rechtbank merkte op dat medeverdachte wel feitelijke leiding gaf aan de verboden gedragingen, maar dat dit niet aan verdachte kon worden toegerekend. De overige verweren behoefden geen bespreking meer. Het vonnis werd uitgesproken op 19 december 2011.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor leidinggeven aan het niet doen van omzetbelastingaangiften.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/992009-11 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2011
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1981] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
raadsman mr. I. Leenders, advocaat te Breda.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 14 november 2011, 15 november 2011, 16 november 2011 en 21 november 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten ter terechtzitting van 5 december 2011.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk niet doen van aangiften omzetbelasting door [bedrijf 1];
Feit 2: opdracht heeft gegeven tot dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting doen door [bedrijf 1]
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en baseert dit standpunt op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank ter zake van beide ten laste gelegde feiten niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij – kort gezegd – op het volgende.
- In het dossier is geen bewijs aanwezig voor de verzending van uitnodigingen tot het doen van aangiften omzetbelasting voor de ten laste gelegde periodes aan [bedrijf 1]
- In het dossier is geen bewijs aanwezig voor de vaststelling van omzet die toegerekend kan worden aan [bedrijf 1] in de ten laste gelegde periodes.
- Verdachte heeft opdracht tot noch feitelijke leiding gegeven aan de gedragingen van [bedrijf 1]
- De aangifte omzetbelasting vervat in D-443 p 3/4, genoemd onder feit 2, is niet ingediend bij de Belastingdienst.
Als de rechtbank tot het oordeel komt dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan dan voert de raadsman (subsidiair) aan dat de officier niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat deze strijdig is met de beginselen van behoorlijke procesorde, zoals het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank baseert haar oordeel op het navolgende.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank is tot de vaststelling gekomen dat [bedrijf 1] in de ten laste gelegde periode ingevolge artikel 6 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) door de inspecteur telkens is uitgenodigd tot het doen van belastingaangifte. Ingevolge artikel 8 van Pro de AWR is eenieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen. Op grond hiervan wordt [bedrijf 1] telkens als aangifteplichtige inzake de Wet op de omzetbelasting aangemerkt.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat [bedrijf 1] over de periodes augustus 2009 tot en met december 2009 en januari 2010 tot en met april 2010 geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend bij de Belastingdienst, terwijl de BV wel omzet genereerde.
[bedrijf 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet aan haar verplichtingen voldaan en opzettelijk geen aangiften omzetbelasting gedaan over de betreffende periodes, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte opdracht heeft gegeven tot deze gedragingen van [bedrijf 1] dan wel daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van medeverdachte [medeverdachte] kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon en dat medeverdachte [medeverdachte] tevens feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij nalatig is geweest in het doen van aangiften bij de Belastingdienst en dat hij degenen die hij bestuurder maakte van een BV – zoals in dit geval verdachte bestuurder werd van [bedrijf 1] – niet op de hoogte stelde van de wijze van het voeren van zijn administratie noch van het nalaten van het doen van aangifte omzetbelasting.
Op grond van deze feitelijke gang van zaken dient naar het oordeel van de rechtbank de vraag of verdachte als opdrachtgever of feitelijke leidinggever kan worden aangemerkt ontkennend te worden beantwoord.
Verdachte heeft zich tijdens het opsporingsonderzoek beroepen op zijn zwijgrecht en ter terechtzitting is hij niet verschenen.
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier geen verdere feiten en omstandigheden naar voren komen die leiden tot de conclusie dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de BV en dat ook niet blijkt van feiten en omstandigheden die leiden tot de vaststelling dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedragingen zich zouden voordoen.
De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 1 tenlastegelegde.
Ten aanzien van feit 2
In de administratie van [bedrijf 2] te Waddinxveen is een aangifteformulier omzetbelasting aangetroffen op naam van [bedrijf 1] betreffende de maanden mei 2009 tot en met juli 2009. Dit aangifteformulier met de datum 9 februari 2010 is ingevuld door de heer [betrokkene], belastingadviseur bij[bedrijf 2] De aangifte is een zogenoemde nihil-aangifte.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het bewijs ontbreekt dat het betreffende aangifteformulier daadwerkelijk is ingediend bij de Belastingdienst. De rechtbank acht allereerst van belang dat het aangifteformulier is aangetroffen op het administratiekantoor [bedrijf 2] en niet door de Belastingdienst aan de FIOD ter beschikking is gesteld. Getuige [betrokkene] heeft verklaard dat als het formulier is ondertekend, hij het wel zal hebben ingediend. De rechtbank acht deze verklaring van getuige [betrokkene] onvoldoende specifiek voor het bewijs dat de aangifte is ingediend. De rechtbank acht tenslotte van belang dat er – anders dan ten aanzien van andere in de dagvaarding genoemde aangiften het geval is – geen verklaring van een medewerker van de belastingdienst in het dossier is opgenomen waarin wordt verklaard dat en wanneer deze aangifte is ingediend.
De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat het aangetroffen aangifteformulier daadwerkelijk is ingediend en zal verdachte daarom ook vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat de overige verweren van de raadsman gelet op het vorenstaande geen verdere bespreking behoeven.
5 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2011.