ECLI:NL:RBUTR:2011:BV0214
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende mate van arbeidsongeschiktheid
Eiser vordert een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van zijn ziekte van Ménière, die sinds 1999 klachten veroorzaakt zoals oorsuizen, gehoorverlies en draaiduizeligheid. Diverse deskundigen, waaronder artsen en een arbeidsdeskundige, hebben onderzoek gedaan naar de aard en mate van zijn beperkingen. De artsen bevestigen het ziektebeeld en constateren beperkingen bij werkzaamheden met meer dan twee gesprekspartners. De arbeidsdeskundige concludeert een arbeidsongeschiktheidspercentage van 19,2% voor de relevante periode.
Eiser betwist de gehanteerde maatman en de conclusies van de deskundigen, met name de mate van vermoeidheid en het effect op zijn werktempo. De rechtbank stelt echter dat de maatman een bindende eindbeslissing is en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat deze onjuist is. Ook zijn bezwaren tegen de rapportages worden niet gegrond verklaard.
De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen en stelt vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet voldoet aan het vereiste minimum van 25% om recht op uitkering te geven. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op €7.094,93.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid onder de 25%.