ECLI:NL:RBUTR:2011:BY5277
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.E.C. Bakker
- M.P. Glerum
- Rechtspraak.nl
Afwijzing proceskostenvergoeding voor door familielid verleende rechtsbijstand
In deze bestuursrechtelijke verzetzaak stond centraal de vraag of proceskostenvergoeding kon worden toegekend voor rechtsbijstand verleend door de dochter van opposante. De rechtbank stelde vast dat de advocaat van opposante haar dochter is, waardoor geen sprake is van een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Dit oordeel werd ondersteund door vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep.
Opposante voerde aan dat zij de kosten niet hoefde te onderbouwen omdat veel advocaten pas declareren na een gewonnen procedure en dat het gelijkheidsbeginsel een vergoeding rechtvaardigt. De rechtbank verwierp dit verweer en benadrukte dat proceskostenvergoeding alleen kan worden toegekend voor daadwerkelijk gemaakte kosten aan een derde beroepsmatige rechtsbijstandverlener. Bovendien had opposante onvoldoende onderbouwd dat zij de declaratie van €1.316,52 daadwerkelijk heeft betaald.
De rechtbank concludeerde dat het verzoek om proceskostenvergoeding terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen en verklaarde het verzet ongegrond. Tevens wees de rechtbank erop dat opposante voldoende gelegenheid had gekregen om de kosten te onderbouwen maar hierin niet was geslaagd.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de rechtsbijstand door een familielid is verleend en onvoldoende kosten zijn onderbouwd.