ECLI:NL:RBUTR:2012:BV7405
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit illegale afvaltransporten naar Azië
De rechtbank Utrecht heeft op 27 februari 2012 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die betrokken was bij het illegaal overbrengen van kunststofafval naar Hong Kong, China en India. De feiten dateren uit de jaren 2005 tot en met 2007 en omvatten onder meer het niet naleven van de EVOA-regelgeving, oplichting van de China Commodities Inspection Corporation (CCIC) en valsheid in geschrift.
De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim €2 miljoen, berekend op basis van gefactureerde omzet en brutomarges, met aftrek van kosten. De rechtbank verwierp extrapolatiemethoden van de officier van justitie en stelde de omzet over 2007 vast op het gemiddelde van 2005 en 2006, waarbij de omzet naar India slechts tot half 2007 werd meegenomen.
De verdediging voerde onder meer rechtsmachtproblemen en onjuiste toepassing van extrapolatie aan, maar de rechtbank verwierp deze bezwaren. De rechtbank achtte de Nederlandse strafwet van toepassing en bevestigde de bevoegdheid tot ontneming. Na een gedetailleerde analyse van omzet, kosten en strafbare feiten stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €554.322,73 en legde deze verplichting tot betaling aan de Staat op, waarbij overige vorderingen werden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsmaatregel op van €554.322,73 wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit illegale afvaltransporten.