ECLI:NL:RBUTR:2012:BV7815
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak herziening en intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding
Eiser ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering en werd door verweerder beschuldigd van het voeren van een gezamenlijke huishouding met zijn ex-partner, wat gevolgen had voor zijn recht op bijstand. Verweerder herzag de uitkering voor de periode van 2 maart 2006 tot 31 mei 2008, trok de bijstand in vanaf 1 juni 2008 en beëindigde deze per 9 oktober 2009, met terugvordering van €27.227,90.
De rechtbank nam feiten aan zoals de geboorte van een kind uit de relatie van eiser en zijn ex-partner en het geregistreerde woonadres van eiser. Uit onderzoek, waaronder observaties en verklaringen, bleek onvoldoende bewijs dat eiser zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn ex-partner gedurende de periode tot 1 juni 2008. Vanaf 1 juni 2008 was er wel voldoende grondslag voor gezamenlijke huishouding.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet bevoegd was de bijstand te herzien voor de periode tot 1 juni 2008 en dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en zorgvuldig was voorbereid. Verweerder kreeg de gelegenheid het besluit binnen zes weken te herstellen, waarna een einduitspraak zal volgen. Het verdere besluit werd aangehouden tot die tijd.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor gezamenlijke huishouding tot 1 juni 2008 en stelt verweerder in de gelegenheid het besluit te herstellen.