ECLI:NL:RBUTR:2012:BV8195
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsanering wegens ontbreken goede trouw bij zakelijke schulden
Verzoeker, een ondernemer die van maart 2004 tot december 2011 een onderneming dreef, diende een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. De totale schuldenlast bedroeg ruim €243.000, grotendeels zakelijke schulden, met daarnaast aanzienlijke leningen bij de Rabobank en een familielening.
De rechtbank baseerde zich op adviesrapporten in het kader van de Bijzondere Bijstand Zelfstandigen (Bbz) die concludeerden dat de onderneming structureel verlies leed, vooral door te hoge huisvestingslasten veroorzaakt door een uit de hand gelopen verbouwing en hoge aanschafkosten van onroerend goed. Ondanks het negatieve advies zette verzoeker zijn onderneming voort, wat leidde tot verdere verslechtering van de financiële situatie.
De Rabobank zegde het krediet op na een gesprek waarin verzoeker aangaf te willen stoppen, waarna hij uiteindelijk per 1 december 2011 de onderneming staakte. De rechtbank oordeelde dat de schulden niet te goeder trouw waren ontstaan omdat verzoeker onverantwoorde risico’s had genomen door de onderneming voort te zetten tegen beter weten in. Hierdoor kon het verzoek tot schuldsanering niet worden toegewezen.
Er waren geen bijzondere omstandigheden die tot een andere beoordeling leidden. De rechtbank wees het verzoek dan ook af op grond van artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.