ECLI:NL:RBUTR:2012:BW1734
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering terugbetaling onverschuldigd betaald invaliditeitspensioen
SBB vorderde terugbetaling van invaliditeitspensioen dat zij vanaf december 2000 tot en met oktober 2008 aan gedaagde had uitgekeerd, omdat volgens haar geen recht op dit pensioen bestond. Gedaagde betwistte de vordering en stelde onder meer dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de betalingen en dat het onduidelijk was of hij recht had op het pensioen.
De rechtbank oordeelde dat de vordering over de periode tot april 2002 was verjaard, maar dat de vordering over de periode april 2002 tot oktober 2008 niet verjaard was. Desondanks weegt het gerechtvaardigd vertrouwen van gedaagde zwaar, mede omdat hij jaarlijks een fiscale jaaropgave ontving en op basis van dat vertrouwen een langdurige hypotheek is aangegaan.
De rechtbank concludeerde dat SBB onzorgvuldig heeft gehandeld door jarenlang onterecht pensioen te betalen en vervolgens terug te vorderen. Gelet op de redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar om gedaagde te verplichten tot terugbetaling van het invaliditeitspensioen over de periode april 2002 tot oktober 2008. De vordering van SBB wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van het invaliditeitspensioen wordt afgewezen wegens gerechtvaardigd vertrouwen en onaanvaardbaarheid van terugvordering.