ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9405

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
7 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/600851-11 [P]
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 359 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak witwassen en veroordeling voor bezit cocaïne in Utrecht

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die op 24 augustus 2011 werd betrapt met 93,38 gram cocaïne en een geldbedrag van circa 1.825 euro. De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het witwassen en veroordeling voor het bezit van cocaïne. Verdachte bekende het bezit van cocaïne, maar ontkende het witwassen van geld. De rechtbank achtte het bezit van cocaïne wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring, het proces-verbaal van de doorzoeking en het NFI-rapport. Het witwassen van geld kon niet worden bewezen, omdat het geld afkomstig was uit legitieme bron.

De rechtbank oordeelde dat verdachte strafbaar was voor het bezit van cocaïne, een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet. Gezien de ernst van het feit en de hoeveelheid cocaïne legde de rechtbank een gevangenisstraf van negentig dagen op, met aftrek van de honderd dagen voorlopige hechtenis die verdachte al had doorgebracht. Hierdoor hoeft verdachte niet opnieuw in vrijheid te worden beperkt. Daarnaast werd verdachte vrijgesproken van het witwassen en werd het in beslag genomen geld teruggegeven.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. D.A.C. Koster en de rechters mr. R.P. den Otter en mr. P.P.C.M. Waarts op 7 juni 2012. De verdediging stemde in met de strafvordering van de officier van justitie. De rechtbank hield rekening met de verslavende en schadelijke aard van cocaïne en de maatschappelijke gevolgen van het gebruik ervan bij de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf voor bezit cocaïne en vrijgesproken van witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/600851-11 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juni 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1981] te [geboorteplaats]
wonende te [adres], [woonplaats]
raadsvrouwe mr. I.P.J. Beerens, advocaat te De Meern
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 december 2011 en 16 maart 2012, waarbij het onderzoek ter terechtzitting is geschorst. Ter zitting van 7 juni 2012 is de inhoudelijke behandeling van de zaak, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, voortgezet in de stand waarin het zich op de laatste zitting bevond. Ter zitting van 7 juni 2012 hebben de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. op 24 augustus 2011 te Utrecht samen met een ander 93,38 gram cocaïne aanwezig heeft gehad;
2. op 24 augustus 2011 te Utrecht een geldbedrag van ongeveer 1.825 euro heeft witgewassen.
3 De voorvragen
De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, de rechtbank bevoegd is, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op het aantreffen van een hoeveelheid cocaïne in de bagage van verdachte op zijn hotelkamer, de bekennende verklaring van verdachte en het rapport van het NFI, waarin wordt geconcludeerd dat het inderdaad cocaïne betreft.
De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal voor dit feit vrijspraak vorderen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit. Zij wijst daarbij op de verklaring van verdachte dat hij contant geld vanuit Frankrijk had meegenomen naar Nederland. De reden dat hij contant geld mee had was dat hij in verband met een saldotekort geen bankpas of creditcard had. Het geld dat hij had meegenomen was om de kosten van zijn verblijf in Nederland te dekken en een deel van het geld heeft hij gebruikt voor de aanschaf van cocaïne.
Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken aldus de verdediging.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit, de aanwezigheid van cocaïne, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Aangezien verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 juni 2012 ;
- het proces-verbaal van bevindingen betrekking hebbend op de doorzoeking van de hotelkamer van verdachte op 24 augustus 2011 ;
- een rapport Opiumwet van 26 augustus 2011 ;
- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 8 september 2011 .
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de rechtbank overwogen dat uit de beschikbare processtukken en uit het verhandelde ter zitting niet gebleken is dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van ongeveer 1.825,00 euro afkomstig was uit misdrijf.
Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.
4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.
op 24 augustus 2011 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad 93.38 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
5.1 De strafbaarheid van het feit
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
5.2 De strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte inbeslaggenomen geld aan verdachte wordt teruggegeven.
6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat zij kan instemmen met de door de officier van justitie gevorderde straf.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne van ruim drieënnegentig gram.
De rechtbank heeft overwogen dat cocaïne een stof is die verslavend werkt en schadelijk kan zijn voor de gezondheid. Voorts is het bekend dat gebruikers van een dergelijke stof vaak hun toevlucht zoeken in criminele activiteiten teneinde in hun gebruik te kunnen voorzien.
De rechtbank heeft gelet op een uittreksel justitiële documentatie van 4 mei 2012 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in Nederland in aanraking is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de hoeveelheid aangetroffen drugs, een gevangenisstraf voor de duur van negentig (90) dagen passend en geboden is. Dit betekent dat de tijd die verdachte tot dusverre in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten honderd dagen, de duur van de op te leggen gevangenisstraf overstijgt. Verdachte zal derhalve niet opnieuw van zijn vrijheid worden beroofd.
7 Het beslag
7.1 De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op artikel 10 van Pro de Opiumwet.
9 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van NEGENTIG (90) DAGEN;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van 1.800,00 euro;
- een geldbedrag van 20,00 euro en
- een geldbedrag van 5,07 euro;
Voorlopige hechtenis
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juni 2012.