ECLI:NL:RBUTR:2012:BW9595

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
20 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
324792/FT-RK 12.604
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FwArt. 287 lid 2 Fw
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onterechte belastingteruggaven en oplopende alimentatieschuld

Verzoeker heeft op 17 april 2012 een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 van Pro de Faillissementswet. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 13 juni 2012, waarbij verzoeker en zijn partner aanwezig waren.

Uit de stukken blijkt dat verzoeker een totale schuldenlast heeft van €242.407,94, waaronder belastingvorderingen van €13.261,00 en een alimentatieschuld van €27.147,16. De belastingvorderingen zijn ontstaan doordat verzoeker onterecht belastingteruggaven heeft ontvangen voor hypotheekrente na verkoop van zijn woning in 2004, terwijl hij de belastingdienst hiervan niet op de hoogte stelde.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende te goeder trouw is geweest met betrekking tot deze vorderingen, mede door het vijf jaar laten doorlopen van de teruggaven. Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoeker een stabiele financiële situatie heeft, aangezien de alimentatieschuld oploopt en verzoeker geen pogingen heeft ondernomen deze te verminderen.

Gelet op deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en een onstabiele financiële situatie.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector handel en kanton
zaaknummer: 324792/FT-RK 12.604
nummer verklaring: EEM0211200050
uitspraakdatum: 20 juni 2012
uitspraak op grond van artikel 288 van Pro de Faillissementswet (Fw)
(“afwijzing toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoeker],
wonende [adres], [woonplaats],
hierna: verzoeker.
Verzoeker heeft op 17 april 2012 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij brief van 25 april 2012 heeft de griffier van deze rechtbank de verzoeker ingevolge artikel 287 lid 2 Fw Pro in kennis gesteld dat zijn verzoek niet compleet is. Verzoeker heeft daarop zijn verzoek aangevuld met de gevraagde stukken.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 13 juni 2012 in aanwezigheid van de verzoeker en zijn partner, mevrouw [verzoekers partner].
Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt het volgende. Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 242.407,94. Onder de schuldenlast bevinden zich vorderingen van de belastingdienst tot een totaal van € 13.261,00. Eveneens bevindt zich onder de schuldenlast een vordering ten name van [verzoekers ex-partner] inzake niet-betaalde alimentatie, ter grootte van € 27.147,16.
De rechtbank overweegt als volgt.
Volgens artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling - onder meer - slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de verzoeker ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de vijf jaren voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift werd ingediend, te goeder trouw is geweest. De schuldenlast van verzoeker bestaat voor een groot deel uit schulden die buiten deze termijn jaar vallen. Dit geldt niet voor de hierboven met name genoemde schulden. De belastingvorderingen zien op inkomensheffingen over de jaren 2008 tot en met 2010, en de vordering van [verzoekers ex-partner] heeft als ontstaansdatum 1 januari 2007.
Ter terechtzitting heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat de belastingvorderingen zijn ontstaan doordat de belastingteruggaven voor (de hypotheekrentebetalingen ten aanzien van) een eigen woning onterecht zijn voortgezet. Verzoeker had hier geen recht op, maar heeft de belastingdienst niet op de hoogte gesteld dat hij reeds in 2004 zijn eigen woning had verkocht. Verzoeker was ervan op de hoogte dat hij dit aan de belastingdienst had moeten melden, maar heeft desondanks de teruggaven gedurende vijf jaar door laten lopen. Verzoeker kon gezien zijn financiële situatie het extra geld wel gebruiken, aldus –samengevat– verzoeker. Gezien de hoogte van de totale schuld en de termijn waarin verzoeker de teruggaven onterecht heeft laten doorlopen oordeelt de rechtbank dat verzoeker de goede trouw inzake deze vorderingen onvoldoende heeft aangetoond.
Daarbij komt onvoldoende duidelijk is of er sprake is van een financieel stabiele situatie. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat de vordering uit hoofde van zijn alimentatieverplichting nog steeds oploopt. Verzoeker betaalt de verschuldigde alimentatie niet, maar heeft eveneens geen pogingen ondernomen om de verplichting te verminderen. Op grond hiervan is onvoldoende aannemelijk dat verzoeker in staat is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren na te komen.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient derhalve te worden afgewezen.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.
Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op
20 juni 2012.