ECLI:NL:RBUTR:2012:BX4863
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot geheel achterwege laten van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens mogelijke ongewenstverklaring en recidivegevaar
De rechtbank Utrecht behandelde op 6 augustus 2012 de vordering van de officier van justitie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde geheel achterwege te laten. Veroordeelde was eerder veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor een ernstig geweldsdelict. Het OM baseerde haar vordering op het vermoeden dat veroordeelde waarschijnlijk tot ongewenst vreemdeling zou worden verklaard en op een mogelijk recidivegevaar.
Tijdens de zitting werd duidelijk dat de verblijfsstatus van veroordeelde op dat moment onduidelijk was en dat de reclassering geen concrete inschatting kon maken van het recidivegevaar, mede door de taalbarrière en het ontbreken van een vaste woonplaats. De reclassering adviseerde uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling totdat duidelijkheid zou bestaan over de ongewenstverklaring.
De rechtbank oordeelde dat de mogelijke ongewenstverklaring niet meegenomen mocht worden in de beslissing, omdat hierover onvoldoende duidelijkheid bestond en het aan de IND is om hierover te beslissen. Ook was er onvoldoende bewijs voor een reëel recidivegevaar. Daarom wees de rechtbank de vordering van het OM af en stelde de voorlopige datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling vast op 24 augustus 2012.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van het OM af en stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling vast op 24 augustus 2012.