ECLI:NL:RBUTR:2012:BX9025

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
10 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/700420-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 313 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte van medeplegen en voorbereiding overval slijterij

De rechtbank Utrecht behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van een overval op een slijterij en van voorbereiding van diefstal met geweld en/of afpersing. Op 1 maart 2012 vond de overval plaats waarbij het slachtoffer werd gestoken. Verdachte werd ervan verdacht hierbij betrokken te zijn geweest en daarnaast voorbereidingshandelingen te hebben verricht.

Tijdens de zitting op 27 augustus 2012 werden de standpunten van officier van justitie en verdediging besproken. De officier van justitie vorderde vrijspraak wegens onvoldoende bewijs, een standpunt dat door de verdediging werd gedeeld. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was de zaak te behandelen.

De rechtbank oordeelde dat de aanwijzingen tegen verdachte, zoals verklaringen van getuigen en het gebruik van een auto, onvoldoende waren om tot een bewezenverklaring te komen. Vier getuigen verklaarden dat verdachte ten tijde van de overval thuis was, en een getuige herkende een andere bestuurder van de auto. Ook de telefoongesprekken die als bewijs voor voorbereiding werden aangevoerd, waren onvoldoende concreet om te concluderen dat verdachte voorbereidingshandelingen had verricht.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaarde werd afgewezen omdat verdachte niet schuldig was bevonden aan een nieuw strafbaar feit. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard en verwezen naar de burgerlijke rechter.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen en voorbereiding van de overval wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT
Sector strafrecht
parketnummer: 16/700420-12 en 21/004377-09 (tul)
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 september 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1988] te [geboorteplaats]
wonende aan het [adres], [woonplaats],
raadsvrouw mr. I.A. Groenendijk, advocaat te ‘s -Gravenhage
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 16/655598-12), [medeverdachte 2] (parketnummer 16/700421-12) en [medeverdachte 3] (parketnummer 16/700540-12) op de terechtzitting van 27 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1. (primair) al dan niet samen met een ander op 1 maart 2012 heeft geprobeerd [aangever 1] af te persen dan wel (subsidiair) bij deze poging behulpzaam is geweest;
2. in de periode van 12 maart 2012 tot en met 17 maart 2012 ter voorbereiding van het misdrijf diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging een telefoon en/of een vervoermiddel heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad.
3. De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de beide ten laste gelegde feiten schuldig heeft gemaakt en heeft vrijspraak gevorderd.
4.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft eveneens vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten bepleit.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
Op 1 maart 2012 is de slijterij van de heer [aangever 1] overvallen en is de heer [aangever 1] drie keer met een mes gestoken.
Er zijn weliswaar aanwijzingen dat verdachte bij het aan hem tenlastegelegde betrokken is geweest, doch deze aanwijzingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde te kunnen komen. Deze aanwijzingen betreffen de verklaringen van [getuige 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] dat verdachte bij de overval betrokken zou zijn geweest en de omstandigheid dat de auto, waarmee de overvallers naar het winkelcentrum zijn gereden, in gebruik is bij verdachte.
Naast voornoemde aanwijzingen is er echter onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden waaruit blijkt dat verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt. De rechtbank wijst er daarbij op dat vier getuigen hebben verklaard dat verdachte ten tijde van de overval thuis was en getuige [getuige 2] een ander dan verdachte als de bestuurder van de auto heeft herkend. De omstandigheid dat verdachte heeft verklaard dat hij zijn rode Seat ten tijde van de overval had uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 2] acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat verdachte wist van de overval en zijn auto ook voor dat doel had uitgeleend aan medeverdachte [medeverdachte 2].
Dit betekent dat de rechtbank verdachte van dit ten laste gelegde feit zal vrijspreken.
Feit 2
In het kader van het politieonderzoek naar het hiervoor genoemde feit 1 is de telefoon van verdachte afgeluisterd. De tenlastelegging is gebaseerd op tussen verdachte en medever-dachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gevoerde telefoongesprekken.
De rechtbank is van oordeel dat, voorzover gelet op voornoemde telefoongesprekken al gesproken zal kunnen worden van voorbereidingshandelingen, er aan de hand van deze gesprekken nog niet kan worden vastgesteld dat deze gesprekken betrekking hebben gehad op de in de tenlastelegging genoemde diefstal met geweld en/of afpersing.
De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft begaan en zal hem dan ook van dat feit vrijspreken.
5. De benadeelde partij
De benadeelde partij [aangever 1] vordert een materiële schadevergoeding van in totaal €12.122,38 alsmede een immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 2.750,--.
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering niet ontvankelijk te verklaren, gelet op de door hem gevorderde vrijspraak. De verdediging heeft afwijzing van de vordering bepleit, gelet op de gevraagde vrijspraak.
Zoals hiervoor is overwogen, is verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
6. De vordering tot tenuitvoerlegging
Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Derhalve kan niet worden geoordeeld dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering tot tenuitvoerlegging zal dan ook worden afgewezen
7. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
-spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;
-heft het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis op;
Vordering tenuitvoerlegging
- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;
Benadeelde partij
- verklaart de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. M.S. Koppert en P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 september 2012.