ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4065

Rechtbank Utrecht

Datum uitspraak
21 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
329305 - HA ZA 12-1057
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S.C. Hagedoorn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 WGBZArt. 127a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van instantie wegens niet tijdige betaling griffierecht door eiser

De rechtbank Utrecht behandelt een zaak waarin de eiser, een besloten vennootschap, het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. De griffier constateerde de niet-tijdige betaling en informeerde de gemachtigde van eiser hierover. Eiser voerde aan dat ontslag van instantie een onbillijke situatie zou veroorzaken en deed een beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a Rv.

De rechtbank oordeelt dat het belang van partijen bij toegang tot de rechter niet wordt geschaad door ontslag van instantie, aangezien het mogelijk is de zaak opnieuw aan te brengen. De vermeende processuele complicaties en vertragingen zijn onvoldoende onderbouwd en worden gezien als beoogde gevolgen van de wetgever.

Daarom leidt de niet tijdige betaling van het griffierecht tot ontslag van instantie met veroordeling van eiser in de kosten van het geding. De kosten van de gedaagde worden tot op heden begroot op nihil. Het vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en op 21 november 2012 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verleent ontslag van instantie wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en veroordeelt eiser in de kosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK UTRECHT
Sector handel en kanton
Handelskamer
zaaknummer / rolnummer: 329305 / HA ZA 12-1057
Vonnis van 21 november 2012
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eiseres,
verder te noemen: [bedrijf 1],
advocaat mr. F. Kolkman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
gedaagde,
verder te noemen: [bedrijf 2],
niet verschenen.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [bedrijf 2] verleende verstek
- de beslissing van de rolrechter tot aanhouding van de beslissing om zuivering van het tegen [bedrijf 2] verleende verstek toe te staan en de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie te accepteren tot het moment dat er een beslissing is gegeven op de niet tijdige betaling van het griffierecht door [bedrijf 1].
- de brief van de griffier d.d. 4 oktober 2012 aan mr. F. Kolkman inzake niet of te laat betalen van het griffierecht
- de akte uitlating van mr. F. Kolkman d.d. 17 oktober 2012 over de niet-tijdige betaling van het griffierecht.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1. [bedrijf 1] is griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter
terechtzitting en dient ervoor zorg te dragen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort (artikel 3 lid 3 WGBZ Pro).
In deze zaak houdt dat in dat het griffierecht uiterlijk woensdag 3 oktober 2012 op de rekening van het gerecht bijgeschreven had moeten zijn.
2.3. De griffier heeft op 4 oktober 2012 geconstateerd dat [bedrijf 1] het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. De griffier heeft de gemachtigde van [bedrijf 1] vervolgens aangeschreven om te reageren op het feit dat er niet tijdig is betaald.
2.4. In reactie hierop voert mr. Kolkman aan dat er als gevolg van ontslag van instantie een onbillijke situatie zou ontstaan in dit geval, gelet op het belang van beide partijen bij toegang tot de rechter. Verder voert hij aan dat ontslag van instantie tot ongewenste processuele complicaties en onnodige vertraging zou leiden voor beide partijen. Derhalve doet [bedrijf 1] een beroep op de hardheidsclausule zoals verwoord in artikel 127a Rv en verzoekt zij de rechtbank geen ontslag van instantie te verlenen.
2.5. De rechtbank is van oordeel dat het belang van partijen bij toegang tot de rechter niet geschaad wordt bij ontslag van instantie, nu niet gesteld of gebleken is dat het voor beide partijen onmogelijk is om de zaak opnieuw aan te brengen. Voorts merkt de rechtbank op dat de genoemde onnodige vertraging een beoogd gevolg van de wetgever is bij niet tijdige betaling van het griffierecht door de eisende partij. De door mr. Kolkman gestelde ongewenste “processuele complicaties” worden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd.
2.6. De door [bedrijf 1] aangevoerde argumenten kunnen dan ook niet tot de conclusie leiden dat het verbinden van gevolgen aan de niet tijdige betaling een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De niet tijdige betaling van het griffierecht moet derhalve op grond van artikel 127a Rv leiden tot ontslag van instantie, met veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten. De kosten van [bedrijf 2] worden tot op heden begroot op nihil.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1. ontslaat [bedrijf 2] van instantie;
3.2. veroordeelt [bedrijf 1] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [bedrijf 2] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2012.?