ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5466
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. van Maanen
- L.M.G. de Weerd
- M.S. Koppert
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting op grond van EHRM-uitspraak Vidgen tegen Nederland
De rechtbank Utrecht behandelde een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie. De verdediging voerde onder meer een beroep op bewijsuitsluiting op grond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Vidgen tegen Nederland.
De kern van het verweer was dat de verklaringen van een cruciale getuige niet tot het bewijs mochten worden gebruikt omdat de verdediging deze getuige niet kon ondervragen, wat strijdig zou zijn met het recht op een eerlijk proces. De rechtbank stelde vast dat de getuige zich beriep op zijn verschoningsrecht en dat het niet mogelijk was de verdediging alsnog de ondervragingsmogelijkheid te bieden, waardoor het absoluut noodzakelijk was de verklaringen niet te gebruiken.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van deze getuige de enige beslissende bewijsmiddelen waren voor de betrokkenheid van verdachte bij de ten laste gelegde feiten. Zonder deze verklaringen kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de strafbare feiten had begaan. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Daarnaast behandelde de rechtbank ook het verweer omtrent het ne bis in idem-beginsel en eendaadse samenloop, maar concludeerde dat de vervolging ontvankelijk was omdat de feiten materieel verschillend waren en er geen sprake was van een tweede vervolging voor hetzelfde feit.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens bewijsuitsluiting van cruciale getuigenverklaringen.