ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6283
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.W.G. de Beer
- A. van Maanen
- P.L.C.M. Ficq
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstig misdragen na strafoplegging
De veroordeelde is door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en negen maanden wegens het onttrekken van zijn minderjarige dochter aan het ouderlijk gezag, strafbaar gesteld in artikel 279 Wetboek Pro van Strafrecht. Tijdens de detentie heeft hij zich opnieuw schuldig gemaakt aan hetzelfde feit, waarvoor hij op 30 oktober 2012 door de rechtbank Utrecht is veroordeeld.
De officier van justitie heeft een vordering ingediend om de voorwaardelijke invrijheidstelling, gepland op 29 januari 2014, geheel achterwege te laten op grond van artikel 15d Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft deze vordering behandeld op 29 november 2012, waarbij ook de raadsman van de veroordeelde is gehoord. De raadsman voerde onder meer aan dat de vordering disproportioneel is en te laat is ingediend.
De rechtbank oordeelt dat de vordering ontvankelijk is, omdat deze tijdig is ingediend en de gronden duidelijk zijn omschreven. De verklaring van de veroordeelde tijdens de terechtzitting van 16 oktober 2012, waarin hij aangeeft zijn gedrag niet te zullen veranderen omdat hij handelt vanuit zijn taak als goede vader, toont aan dat hij niet van plan is zijn gedrag aan te passen.
Gezien het ernstige misdragen na aanvang van de strafuitvoering en de houding van de veroordeelde, besluit de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel achterwege te laten. De vordering van de officier van justitie wordt daarmee toegewezen.
Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde wordt geheel achterwege gelaten wegens ernstig misdragen en het ontbreken van gedragsverbetering.