ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7690
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning vordering put-optie wegens strijd met dwingend vennootschapsrecht
In deze zaak staat centraal de put-optie-overeenkomst uit 2006 tussen de stichting en Econcern, waarbij de stichting het recht had om haar certificaten tegen een vaste prijs terug te verkopen aan Econcern. Toen de stichting in mei 2010 haar put-optie uitoefende, beschikte Econcern niet over voldoende vrije reserves, zoals vereist volgens art. 2:98 lid 2 BW Pro.
De curatoren van het faillissement van Econcern voerden verweer dat de put-optie niet kon worden uitgeoefend zonder voldoende vrije reserves, en stelden dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met dwingend recht. De stichting betoogde dat de wettelijke bepaling niet in de overeenkomst besloten ligt en dat zij recht heeft op vervangende schadevergoeding wegens verzuim.
De rechtbank oordeelde dat ongeacht of de wettelijke bepaling in de overeenkomst is opgenomen, de put-optie niet kon worden uitgeoefend zonder voldoende vrije reserves. Indien dat wel mogelijk zou zijn, zou de overeenkomst strijdig en dus nietig zijn. De stelling van de stichting dat een rechtsgeldige overeenkomst niet later nietig kan worden verklaard, faalt omdat de overeenkomst altijd in strijd was met dwingend recht.
De vordering van de stichting wordt daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering van de stichting tot erkenning van haar put-optie vordering wordt afgewezen wegens strijd met dwingend recht.