ECLI:NL:RBUTR:2012:BY8869
Rechtbank Utrecht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag na arbeidsongeschiktheid
De werknemer trad in 1997 in dienst en meldde zich vanaf 2006 meerdere malen ziek, met gedeeltelijke en volledige arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts constateerde een verstoring van de arbeidsverhouding, maar geen ziektegerelateerde arbeidsongeschiktheid in 2007. Na diverse evaluaties, inzet van bedrijfsmaatschappelijk werk en medische rapportages werd in 2010 toestemming verleend voor opzegging van de arbeidsovereenkomst.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was vanwege druk om te werken terwijl zij niet in staat was, fysieke molestatie door een collega, onvoldoende maatregelen van de werkgever en een zwakke arbeidsmarktpositie. De werkgever voerde verweer met onderbouwing van re-integratie-inspanningen en medische adviezen.
De kantonrechter oordeelde dat de verwijten onvoldoende onderbouwd waren en dat de arbeidsongeschiktheid vooral verband hield met een chronische, erfelijke aandoening. De inspanningen van de werkgever waren passend en er was geen sprake van gemiste re-integratiekansen. De omstandigheden waren onvoldoende om het ontslag kennelijk onredelijk te achten, waarna de vordering werd afgewezen en de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot vernietiging van het ontslag wegens kennelijke onredelijkheid wordt afgewezen.