Art. 10 Wet IHSArt. 24 Wet IHSArt. 66a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 3:4 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit terugvordering huursubsidie wegens onvoldoende motivering en informatieplicht
Eiseres ontving huursubsidie over het tijdvak van 1 februari 1997 tot en met 30 juni 1997, welke later door de minister werd teruggevorderd op grond van een vermeende inkomenstoename in 1996 van ten minste 15% ten opzichte van 1995. Eiseres stelde dat het vermeende eenmalige hoge inkomen het gevolg was van een uitkoopsom die in termijnen werd betaald en niet ineens, en dat zij hierover onvoldoende was geïnformeerd.
De minister handhaafde het besluit tot terugvordering, waarbij hij verwees naar het belastbaar inkomen zoals vastgesteld door de fiscus. De rechtbank oordeelde dat de minister tekort was geschoten in zijn motiveringsplicht en informatieplicht, omdat eiseres niet was gewezen op de mogelijkheid om via de belastingdienst een middeling van het inkomen te verzoeken, wat haar positie had kunnen verbeteren.
Daarnaast vond de rechtbank dat het lange tijdsverloop van bijna vier en een half jaar tussen het bezwaarschrift en het besluit niet ten nadele van eiseres mocht werken, en dat het besluit daardoor onevenredig nadelig was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak, waarbij ook de mogelijkheid van herberekening via middeling van het inkomen onderzocht moet worden.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van huursubsidie wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 03/1442
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A wonende te B, eiseres,
en
de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verweerder,
gemachtigde: mr. A.M.M. Stevens, advocaat te `s-Gravenhage.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 8 oktober 2003.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 26 maart 1999 heeft verweerder de aan eiseres bij besluit van 26 mei 1997 over het tijdvak van 1 februari 1997 tot en met 30 juni 1997 toegekende huursubsidie ten bedrage van ƒ 1735,--, gewijzigd, in die zin dat het bedrag op nihil is gesteld, alsmede een bedrag van ƒ 1735,-- van eiseres teruggevorderd.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 mei 1999 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Verweerder heeft dit bezwaarschrift opgevat als een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule en bij besluit van 26 juli 2001 aan eiseres meegedeeld dat de in het bezwaarschrift vermelde nieuwe informatie geen aanleiding geeft om een uitzondering te maken op de wet- en regelgeving.
Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 5 september 2001 wederom een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft bij brief van 16 november 2003 tegen dit besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 22 januari 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Bij schrijven van 5 februari 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 11 maart 2004 heeft eiseres nog enkele stukken ingediend.
De zaak is op 25 maart 2004 ter zitting behandeld, alwaar eiseres in persoon is verschenen in het bijzijn van mw. D. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag.
Bij brief van 5 mei 2004 heeft verweerder gereageerd op het verhandelde ter zitting.
3. Motivering
Ingevolge artikel 10, eerste lid, juncto artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet individuele huursubsidie (verder: Wet IHS), voor zover hier van belang, wordt voor de bepaling van de hoogte van de bijdrage in aanmerking genomen het inkomen over het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar van de huurder.
Het vijfde lid van dit artikel bepaalt onder meer dat indien naderhand blijkt dat het totale inkomen over het op 1 juli lopende kalenderjaar feitelijk een wijziging te zien geeft van tenminste 15 procent ten opzichte van het totale inkomen over het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar, de minister de bijdrage nader kan vaststellen met inachtneming van het totale inkomen over het op 1 juli lopende kalenderjaar.
Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet IHS bepaalt, voor zover hier van belang, dat in de gevallen, waarin het voor de huurder tot een bijzondere hardheid zou leiden indien bepaalde bestanddelen van zijn inkomen ingevolge artikel 10, eerste lid, in verband met artikel 1, eerste lid, onder d, en achtste lid, voor de toepassing van de desbetreffende huursubsidietabel mede in aanmerking worden genomen, de minister van die bepalingen kan afwijken.
Bij besluit van 26 mei 1997 heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet IHS voor het tijdvak van 1 februari 1997 tot en met 30 juni 1997 een bijdrage verstrekt ten bedrage van ƒ 1.735,--.
Verweerder is vervolgens op grond van informatie van de Belastingdienst gebleken dat in 1996 sprake was van een inkomenstoename ten opzichte van 1995 van ten minste 15%, als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Wet IHS, en dat het inkomen in 1996 de maximum-inkomensgrens overschrijdt.
Bij besluit van 26 maart 1999 heeft verweerder uitgaande van dit laatste gegeven de bijdrage nader vastgesteld op nihil alsmede het teveel betaalde van ƒ 1.735,-- teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 9 mei 1999 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft in dit bezwaarschrift aanleiding gezien om te bezien of de daarin vermelde informatie over een eenmalig hoger inkomen in 1996 aanleiding gaf om onder toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 24 vanPro de Wet IHS dat eenmalig hoger inkomen buiten beschouwing te laten, hetgeen heeft geresulteerd in het besluit van 26 juli 2001.
Bij laatstbedoeld besluit, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder eiseres meegedeeld dat geen aanleiding bestond om middels toepassing van de hardheidsclausule het eenmalig hoger inkomen buiten beschouwing te laten omdat volgens vaststaand beleid een eenmalig hoger inkomen slechts buiten beschouwing wordt gelaten indien daarvan tweemaal nadeel is ondervonden. Van dit laatste is naar de mening van verweerder geen sprake omdat, hoewel eiseres door haar eenmalig hoger inkomen in het subsidiejaar 1996-1997 geen recht had op huursubsidie, eiseres geen huursubsidieaanvraag heeft ingediend voor het tijdvak 1997-1998 en uit telefonisch contact met de gemeente Zwolle is gebleken dat eiseres in de periode 1997-1998 aanspraak heeft gemaakt op de gemeentelijke vangnetregeling.
Vooropgesteld dient te worden dat in artikel 10, vijfde lid, van de Wet IHS aan verweerder een discretionaire bevoegdheid wordt gegeven. In de Richtlijnen van het Ministerie van VROM (HIS/C&T) mei 1993 wordt de hierboven genoemde beleidsregel, inhoudende dat in geen geval een eenmalig hoger inkomen gevolgen mag hebben voor twee subsidievakken, aangevuld met de overweging dat indien het slechts voor één tijdvak in aanmerking nemen van een eenmalige hoger inkomen toch nog tot bezwaren leidt van de huurder, laatstbedoelde (als dit zinvol lijkt) gewezen kan worden op de mogelijkheid om de belastingdienst te verzoeken om uitsmering of middeling van de uitbetaling over de jaren waarop die betrekking heeft. Door de belastingdienst worden in dat geval aanslagen berekend op basis van fictieve belastbare inkomens. Als dan zou blijken dat het hanteren van die fictieve belastbare inkomens niet zou leiden tot terugvorderingen van huursubsidie over voorgaande tijdvakken, kan ingevolge de circulaire worden besloten het betreffende inkomensbestanddeel geheel buiten beschouwing te laten.
De mogelijkheid om de belastingdienst om een zogenaamde middelingsteruggaaf te verzoeken is neergelegd in artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Eiseres heeft gedurende de hele procedure, te beginnen bij haar bezwaarschrift van 9 mei 1999, betoogd dat zij nooit een eenmalig hoog inkomen heeft gehad maar dat de met haar voormalige zakenpartner overeengekomen uitkoopsom haar conform de afspraken in termijnen van f 2000,- per maand is betaald en dat zij er pas later achter is gekomen dat haar zakenpartner die uitkoopsom om belastingtechnische redenen fiscaal wel heeft verantwoord als een eenmalige uitgave in 1996.
In geen enkele reactie van verweerder is op dit argument ingegaan. Ook in het bestreden besluit heet het nog dat “uw inkomen over 1996 door de betaling van de uitkoopsom te hoog was om in aanmerking te komen voor huursubsidie”. Pas uit het verweerschrift heeft eiseres kunnen afleiden dat het niet relevant is of die uitkoopsom al dan niet ineens is uitbetaald omdat voor de huursubsidie bepalend is het door de fiscus vastgestelde belastbaar inkomen. Verweerder is dan ook ernstig tekort geschoten in zijn motiveringsplicht en eiseres is daarmee in onwetendheid gelaten over de enige mogelijkheid om een voor haar gunstige beschikking inzake de huursubsidie te verkrijgen, te weten een verzoek aan de belastingdienst om middeling van het eenmalige hoge inkomen. Verweerder valt aan te rekenen dat hij eiseres niet op die mogelijkheid heeft gewezen. Gelet op de grote aantallen beschikkingen die in het kader van de Wet IHS moeten worden genomen valt te begrijpen en te billijken dat de afhandeling van zaken in hoge mate is gestandaardiseerd. Dat ontheft verweerder evenwel niet van de verplichting om naar behoren in te gaan op argumenten die in het kader van een bezwarenprocedure worden aangevoerd en tevens om de belanghebbende duidelijk te maken wat deze van zijn kant heeft te doen om de gewenste beslissing mogelijk te maken.
Uiteindelijk heeft verweerder, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 25 maart 2004, bij brief van 5 mei 2004 meegedeeld dat, mocht het voor eiseres nog steeds mogelijk zijn om met de belastingdienst te regelen haar fiscale positie te laten aansluiten bij de werkelijkheid door de belastingdienst te vragen de niet door haar ontvangen gelden in het refertejaar voor de huursubsidie ook niet in dat jaar te belasten, verweerder bereid is zijn standpunt te herzien.
Voor zover verweerder in zijn brief van 5 mei 2004 doelt op de in voornoemd artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 neergelegde mogelijkheid om de inspecteur te verzoeken om een zogenaamde middelingsteruggaaf te verlenen, moet worden aangenomen dat deze mogelijkheid ten gevolge van verweerders trage handelswijze ten tijde van voornoemde brief niet meer bestond gezien de in voornoemd artikel neergelegde termijn van twaalf maanden na het onherroepelijk worden van de betreffende belastingbeschikkingen. Deze mededeling van verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook een hoog dode-mus-gehalte.
Gelet op het tekortschieten van verweerder in zijn informatie- en motiveringsplicht en in aanmerking nemend dat verweerder, alle wettelijke termijnen ten spijt, er bijna vier en een half jaar over heeft gedaan om naar aanleiding van eiseresses bezwaren tot een beslissing te komen kan het niet zo zijn dat het door tijdsverloop teloor gaan van redresseringsmogelijkheden in het nadeel van eiseres werkt. Dat dit lange tijdsverloop onder meer veroorzaakt wordt door het feit dat verweerder in eiseresses bezwaarschrift van 9 mei 1999 aanleiding heeft gezien wederom een voor bezwaar vatbaar primair besluit te nemen doet daar niet aan af.
Nu het bestreden besluit de nadelige gevolgen van verweerders tekortkomingen wel geheel bij eiseres legt moet de conclusie zijn dat de gevolgen van het bestreden besluit voor eiseres onevenredig nadelig zijn in verhouding tot het met besluit te dienen doel, zodat dit besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit komt om die reden voor vernietiging in aanmerking.
Indien verweerder, opnieuw beslissend op het bezwaar, naar aanleiding van het vorenoverwogene niet zou besluiten de vordering te laten vallen, brengt de zorgvuldigheid mee te onderzoeken of, indien het papieren inkomen van eiseres wordt uitgesmeerd over de jaren waarop dat betrekking heeft, verweerder ingevolge het door hem gevoerde beleid als voornoemd eveneens tot nihilstelling van de over het tijdvak 1 februari 1997 tot en met 30 juni 1997 toegekende huursubsidie en terugvordering van ƒ 1735,-- zou zijn overgegaan. Een besluit gebaseerd op een herberekening van eiseresses recht op huursubsidie over voornoemd huursubsidietijdvak uitgaande van een door middeling van het papieren inkomen verkregen fictief belastbaar inkomen over 1996 zou, anders dan het bestreden besluit, de rechterlijke toets wel kunnen doorstaan.
Gelet op het vorenstaande zal het beroep gegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Awb.
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde een nieuw besluit neemt;
- gelast dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- vergoedt.
Gewezen door mr. H.C. Moorman en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2004
in tegenwoordigheid van mr. A. Landstra als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.