ECLI:NL:RBZLY:2004:AR6642

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
29 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/204 WW
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.I. Lammertsma-van der Heij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWBesluit interpretatie seizoenmatige arbeidRegeling gelijkstelling niet gewerkte uren met gewerkte uren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling seizoenmatigheid arbeid medewerker attractiepark voor WW-uitkering

Eiseres, werkzaam als medewerker reserveringen/telefoniste-receptioniste bij een attractiepark, vorderde een WW-uitkering na het einde van haar contract vanwege sluiting van het park. Het UWV stelde dat haar arbeid niet seizoenmatig was, omdat de sluiting bedrijfseconomische of organisatorische redenen zou hebben. De rechtbank oordeelt dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan en de verklaring van de werkgever niet adequaat heeft meegewogen.

De rechtbank stelt vast dat het attractiepark in de winter daadwerkelijk gesloten is vanwege klimatologische omstandigheden, zoals vorstgevaar en veiligheidsrisico's bij het gebruik van attracties en infrastructuur. Dit wordt ondersteund door de verklaring van de parkmanager die onder ede is gehoord.

Gezien het beleidsbesluit van het UWV over seizoenarbeid, waarbij sluiting wegens klimatologische omstandigheden als seizoenarbeid wordt aangemerkt, concludeert de rechtbank dat de arbeid van eiseres wel degelijk seizoenmatig is. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin wordt erkend dat de arbeid van eiseres seizoenmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 04/204 WW
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiseres,
gemachtigde: A.G. Sol,
en
Raad van Bestuur van het UWV, gevestigd te Amsterdam (Kantoor Zwolle), gevestigd te Amsterdam, verweerder,
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 14 januari 2004.
2. Ontstaan en loop van de procedure
Bij besluit van 24 november 2003 heeft verweerder eiseres bericht, dat zij met ingang van 27 oktober 2003 recht heeft op voortzetting van een kortdurende WW-uitkering die haar eerder was toegekend; zij heeft geen recht op een nieuwe uitkering omdat zij werkzaam was in een cyclisch arbeidspatroon.
Tegen dit besluit is op 17 december 2003 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift (kennelijk) ongegrond verklaard.
Op 23 februari 2004 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 24 maart 2004 een verweerschrift ingezonden.
Bij schrijven d.d. 15 april 2004 heeft eiseres een verklaring d.d. 8 april 2004 van de directeur van Attractiepark X, drs Y, ingezonden.
Bij schrijven d.d. 6 juli 2004 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 26 oktober 2004 ter zitting behandeld.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Eiseres heeft als getuige ter zitting meegenomen Z, parkmanager attractiepark X, die onder ede door de rechtbank is gehoord.
Verweerder heeft zich niet doen vertegenwoordigen.
3. Motivering
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres is na het beëindigen van haar werkzaamheden voor Attractiepark X met ingang van 28 oktober 2002 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Over de periode 31 maart 2003 tot en met 26 oktober 2003 heeft eiseres op basis van een dienstverband voor bepaalde tijd opnieuw als medewerker reserveringen/ telefoniste-receptioniste gewerkt voor dit Attractiepark (thans met de naam […] B.V). Eiseres heeft op 9 oktober 2003 een aanvraag om WW-uitkering ingediend. Op die aanvraag heeft eiseres aangegeven dat haar contract ten einde liep in verband met de sluiting van het park wegens einde van het seizoen. Ook haar werkgever heeft op een ontslagbewijs van de datum oktober 2003 aangegeven dat het einde van het seizoen de reden is dat het contract is beëindigd.
Verweerder heeft zich bij besluit van 24 november 2003 op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van werkloosheid omdat eiseres werkzaam was in een dienstverband met een cyclisch arbeidspatroon. Wel herleeft volgens verweerder de uitkering WW die eiseres per 28 oktober 2002 was toegekend.
Bij het thans bestreden besluit, genomen op bezwaar, heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.
Beoordeling.
Ingevolge artikel 16, eerste lid van de WW is werkloos de werknemer die:
a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en
b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.
Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld omtrent de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid. Deze regels hebben betrekking op:
a. de gelijkstelling van uren waarin geen arbeid is verricht met arbeidsuren en het buiten beschouwing laten van uren waarin arbeid is verricht;
b. de berekening van het verlies van arbeidsuren met betrekking tot wisselende arbeidspatronen.
Bij de Regeling gelijkstelling niet gewerkte uren met gewerkte uren, regeling van 18 december 1986, laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 16 april 2002, Stcrt. 2002,84, zijn door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op grond van artikel 16, zevende lid van de WW regels gesteld. In artikel 4b van de Regeling is een regeling opgenomen voor de berekening van het arbeidsurenverlies van werknemers die werkzaam zijn in een wisselend arbeidspatroon met een cyclus.
Op grond van het zesde lid van artikel 4b van de Regeling is dit artikel niet van toepassing op de werknemer die seizoenmatige arbeid heeft verricht. Onder seizoenmatige arbeid wordt verstaan arbeid die naar zijn aard op klimatologische gronden seizoensgebonden is of hieraan direct is gerelateerd en daardoor slechts gedurende één of meer bepaalde jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of wordt verricht. Er is geen sprake van seizoenmatige arbeid als de werkzaamheden slechts uit bedrijfseconomische motieven of om organisatorische redenen geconcentreerd zijn in één of meer jaarlijks terugkerende periodes.
Verweerder heeft, ter beoordeling van de vraag wanneer sprake is van seizoenmatige arbeid, vastgesteld het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid, Besluit van verweerder van 6 mei 2002, Stcrt. 2002,100. Aangegeven is dat een cyclus een arbeidspatroon van werken is dat wordt afgewisseld door perioden van niet of minder werken, waarna het patroon zich bij dezelfde werkgever herhaalt.
Onder seizoenmatige arbeid wordt blijkens dit besluit verstaan arbeid die naar zijn aard vanwege klimatologische omstandigheden slechts gedurende een of meer jaarlijks terugkerende periodes beschikbaar is of verricht kan worden. Dat betekent dat het gaat om specifieke werkzaamheden die uitsluitend kunnen plaatsvinden vanwege (gunstige) klimatologische omstandigheden; als om bedrijfseconomische of organisatorische motieven het werk geconcentreerd is in bepaalde jaarlijkse perioden is er geen sprake van seizoenmatige arbeid. Onder arbeid die naar zijn aard vanwege klimatologische omstandigheden slechts gedurende een of meer jaarlijks terugkerende perioden beschikbaar is of verricht kan worden, verstaat het UWV ook arbeid in bedrijven die een of meer perioden van het jaar volledig worden gesloten of afgebroken en deze sluiting of afbraak plaats vindt op klimatologische gronden. Daarbij gaat het uitsluitend om bedrijven die gesloten of afgebroken worden omdat de bedrijfsactiviteiten rechtstreeks door klimatologische omstandigheden worden belemmerd. Bedrijven wier activiteiten indirect het gevolg zijn van de klimatologische omstandigheden worden hieronder niet begrepen.
In de toelichting op het besluit wordt gesteld dat naar zijn aard seizoensgebonden arbeid bijvoorbeeld is direct aan de volle grond gerelateerde arbeid in de agrarische sector. Arbeid in horecagelegenheden en detailhandel aan het strand of in attractieparken (waar een deel van het jaar niet gewerkt wordt) is naar zijn aard niet seizoenmatig, omdat het soort arbeid het gehele jaar door mogelijk en ook daadwerkelijk beschikbaar is, zij het soms op andere plaatsen.
Arbeid in de horeca of detailhandel in bedrijven die in de wintermaanden volledig gesloten of afgebroken worden, wordt wel als seizoenmatige arbeid beschouwd als het afbreken of de sluiting rechtstreeks verband houdt met de klimatologische omstandigheden. Te denken valt aan horeca of detailhandel in strandpaviljoens, die voor enkele wintermaanden worden afgebroken, maar ook campings die in de wintermaanden volledig sluiten.
Arbeid in de horeca of detailhandel in bedrijven die in de wintermaanden gesloten of afgebroken worden, maar waarbij deze sluiting of afbraak is ingegeven door een verminderde stroom bezoekers, wordt niet als seizoenmatige arbeid beschouwd omdat er geen rechtstreeks verband is met de klimatologische omstandigheden.
Het onderhavige geschil betreft de vraag of de arbeid van eiseres al dan niet moet worden verstaan als seizoenarbeid.
Gelet op de formulering in het bestreden besluit, lijkt het erop dat verweerder van mening is dat geen sprake is van seizoenmatige arbeid als het gaat in arbeid die ook elders voorkomt in niet-seizoenmatige bedrijven.
De rechtbank stelt vast dat een dergelijke uitleg niet overeenstemt met hetgeen verweerder zelf in het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid als beleidsmatige uitleg van het begrip seizoenarbeid heeft aangegeven. Gelet op deze uitleg is van belang in hoeverre de concrete arbeid waar het om gaat –in casu de arbeid in het attractiepark- verloren gaat door een sluiting van het park in de winter, welke sluiting direct het gevolg is van klimatologische omstandigheden –in welk geval sprake is van seizoenmatig verrichte arbeid – dan wel of deze sluiting hooguit indirect het gevolg is van klimatologische omstandigheden en er in feite bedrijfseconomische of organisatorische motieven (zoals bij voorbeeld in verband met een verminderd aantal bezoekers) voor de sluiting aan de orde zijn.
Het geschil spitst zich dan ook toe op de vraag of de onderhavige sluiting al dan niet direct wordt veroorzaakt door klimatologische omstandigheden.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld, dat eiseres werk heeft verricht dat naar zijn aard niet seizoenmatig is. In dit besluit is verweerder niet gemotiveerd ingegaan op de in bezwaar ingebrachte verklaring van de werkgever d.d. 15 december 2003, waarin gesteld wordt dat het bedrijf in de winter wegens klimatologische omstandigheden is gesloten en dat het bedrijf niet is uitgerust om in de winter open te zijn.
Nadat verweerder in beroep was geconfronteerd met de verklaring d.d. 8 april 2004 van de werkgever van eiseres, heeft verweerder in het aanvullend verweerschrift d.d. 6 juli 2004 gesteld dat de sluiting van het attractiepark in de winterperiode te maken heeft met bedrijfseconomische c.q. organisatorische redenen.
De rechtbank stelt vast, dat eiseres reeds in bezwaar heeft getracht te onderbouwen dat sprake was van sluiting wegens klimatologische omstandigheden. Verweerder heeft nagelaten, bij voorbeeld door eiseres of haar werkgever te horen, zich een nader beeld te vormen van de feitelijke achtergronden van de sluiting van het attractiepark. Verweerder heeft zonder nader onderzoek en ongemotiveerd geoordeeld dat er geen sprake was van seizoenmatig verrichte arbeid. Reeds dit gegeven vormt een grond voor vernietiging van het bestreden besluit.
In het aanvullend verweerschrift heeft verweerder, wederom zonder enige onderbouwing, gesteld dat de sluiting te maken heeft met bedrijfseconomische c.q. organisatorische gronden, hoewel in de brief van de werkgever van 8 april 2004 nader is aangegeven waarom naar het oordeel van de werkgever en daarmee van eiseres, sprake is van een sluiting wegens klimatologische omstandigheden.
De rechtbank is van oordeel dat reeds uit genoemde brief van 8 april 2004 blijkt, dat het attractiepark inderdaad wegens klimatologische omstandigheden ’s winters is gesloten (en dat daarmee een vergelijking kan worden getrokken met de, in de toelichting op de in het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid genoemde, horecagelegenheden die in de winter afgebroken dan wel volledig gesloten worden).
Dit oordeel wordt nog eens bevestigd door hetgeen de getuige Z onder ede ter zitting heeft verklaard.
Immers, er is enerzijds sprake van verblijfsrecreatie –bestaande uit een camping en 400 vakantiehuisjes- die in de winter niet beschikbaar kan zijn omdat de infrastructuur van het drinkwater niet vorstvrij is en dan ook in het najaar afgetapt moet worden. Dit betekent bovendien dat de brandhaspels afgesloten zijn, zodat ook in geval van een brandcalamiteit de veiligheid in het geding zou zijn.
In dit verband valt ook niet in te zien waarom verweerder zich niet heeft geconformeerd aan het in de toelichting op het Besluit interpretatie seizoenmatige arbeid genoemde met name genoemde voorbeeld van campings die in de wintermaanden volledig worden gesloten, welke arbeid als voorbeeld van seizoenmatige arbeid wordt genoemd.
Anderzijds is sprake van dagrecreatie in het attractiepark, waarin meer dan 40 attracties staan opgesteld, die om uiteenlopende redenen niet gebruikt kunnen worden in de winter. Naast het feit dat veel gebouwen niet verwarmd zijn, gaat het om attracties die niet kunnen worden gebruikt in de winter door factoren als bevriezingsgevaar, noodzakelijke demontage omdat het gebruikte materiaal in de winter problemen geeft, aandrijfwielen die in winterse omstandigheden niet kunnen functioneren doordat zij geen grip hebben op de aanrakingsvlaken voor aandrijven en remmen e.d.. Bovendien is gesteld en door verweerder niet weersproken dat het op grond van de Arbowet voor medewerkers onaanvaardbaar is om in de buitenlucht onderhoud en inspectiebeurten in de winter uit te voeren. Tenslotte kunnen gevaarlijke situaties ontstaan in geval van sneeuw, bevriezing e.d. van trappen en platforms, vastvriezen van (kinder)handen aan metalen onderdelen etc.. Kortom er zou bij openstelling in de winter van de attracties sprake zijn van een onaanvaardbaar veiligheidsrisico voor de bezoekers.
De getuige heeft een en ander nog eens nader gespecificeerd en daarnaast gemeld, dat de directie zich wel heeft afgevraagd of langere opening mogelijk zou zijn, maar men ziet daar vanaf juist vanwege de veiligheid, die niet gegarandeerd zou kunnen worden. In dit verband heeft de getuige opgemerkt, dat zelfs de inmiddels vallende bladeren reeds een probleem geven op de paden, met name als het regent, waardoor uitglijdingsgevaar ontstaat.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat de door eiseres verrichte arbeid geen seizoenmatige arbeid betreft.
Het bestreden besluit moet dan ook worden vernietigd en verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar, in overeenstemming met hetgeen bij deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting).
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 januari 2004;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,00;
- wijst het UWV aan als de rechtspersoon die de kosten betaalt aan eiser;
- gelast dat het UWV het griffierecht ad € 37,00 betaalt.
Gewezen door mw. mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2004 in tegenwoordigheid van mw. mr. F. Ernens als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op