ECLI:NL:RBZLY:2004:AR7369

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
7 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 04/446 WAO
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.E.C. van Rijckevorsel-Besier
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-uitkering en dringende redenen voor matiging

In deze zaak heeft de Rechtbank Zwolle-Lelystad op 7 december 2004 uitspraak gedaan over de terugvordering van een onverschuldigd betaalde WAO-uitkering aan eiseres, die een bedrag van € 9070,25 bruto had ontvangen. De terugvordering was gebaseerd op een besluit van het UWV van 21 augustus 2003, waarin werd gesteld dat eiseres ten onrechte uitkering had ontvangen. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar haar bezwaar werd ongegrond verklaard. Hierop heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres in de periode van 22 november 2001 tot september 2002 een WAO-uitkering op voorschotbasis had ontvangen, maar dat er geen beroep was ingesteld tegen het besluit van 9 juli 2003, waarin haar recht op een WAO-uitkering werd geweigerd. De rechtbank oordeelde dat het UWV in hoge mate verantwoordelijk was voor de opbouw van de schuld van eiseres, aangezien de behandeling van haar aanvraag onaanvaardbaar lang had geduurd. Dit leidde tot de conclusie dat er sprake was van dringende redenen om van de volledige terugvordering af te zien.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van eiseres, die op € 644,- werden vastgesteld, en het griffierecht van € 37,- diende ook vergoed te worden. De rechtbank benadrukte dat de lange duur van de procedure en de financiële gevolgen voor eiseres een dringende reden vormden om de terugvordering te matigen.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg.nr.: AWB 04/446 WAO
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. A. Boessenkool, Bureau voor Rechtshulp Zwolle
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Heerlen)), verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 5 maart 2004.
2. Procesverloop
Bij besluit van 21 augustus 2003 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij ten onrechte uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft ontvangen ten bedrage van € 9070,25 bruto (€ 3251,71 netto).
De ten onrechte toegekende uitkering is bij dit besluit van eiseres teruggevorderd. Voorts is een terugbetalingsregeling voorgesteld.
Tegen dit besluit is op11 september 2003, aangevuld op 25 november 2003 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit is dit bezwaarschrift ongegrond verklaard.
Op 13 april 2004 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 7 juni 2004 een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is op 26 oktober 2004 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. A. Boessenkool. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.G. Mosterd .
3. Motivering
In geding is de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot algehele terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 9070,25 bruto (€ 3251,71 netto).
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres verrichtte naast het werk in het huishouden sedert januari 2000 administratief thuiswerk voor een makelaardij gedurende (maximaal) 15 uur per week. In juni 2000 is eiseres met drie van haar vier kinderen weggegaan bij haar echtgenoot.
Per 9 november 2000 is eiseres op contractbasis (voor 3 maanden) als leerkracht in dienst getreden bij een basisschool voor 30,5 uur per week.
Op 23 november 2000 heeft eiseres zich wegens griep en overbelasting ziek gemeld.
Op 20 augustus 2001 heeft eiseres verweerder gevraagd haar per 22 november 2001 een WAO-uitkering toe te kennen. In oktober 2001 zijn de kinderen bij hun vader gaan wonen. Eiseres had vanaf dat moment geen eigen woonruimte. Verweerder heeft een inkomensonderzoek verricht en voorts heeft de verzekeringsarts op 28 maart 2002 medisch onderzoek verricht. Diens rapport is gedateerd 27 juni 2003.
Bij besluit van 10 september 2002 heeft verweerder eiseres een WAO-uitkering toegekend op voorschotbasis. Daarbij is haar toen een bedrag ineens betaald over de periode 22 november 2001 tot september 2002.
Na onderzoek door de verzekeringsarts waarbij de belastbaarheid van eiseres is vastgesteld heeft de arbeidsdeskundige eiseres per 22 november 2001 geschikt geacht voor het thuiswerk dat eiseres verrichtte (de maatmanarbeid). Voor de werkzaamheden als leerkracht is eiseres (bij aanvang) ongeschikt geacht. Eiseres is geschikt geacht voor de maatmanarbeid waaruit volgt dat er voor haar geen loonverlies was per 22 november 2001 (einde wachttijddatum WAO). Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen recht heeft op een WAO-uitkering per 22 november 2001. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is bij besluit d.d. 20 januari 2004 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.
Bij het in de aanhef van rubriek 2 genoemde besluit van 21 augustus 2003 heeft verweerder vervolgens besloten datgene wat onverschuldigd sedert 22 november 2001 aan eiseres is betaald van haar terug te vorderen.
Beoordeling
In artikel 57, lid 1 van de WAO is voor zover van belang bepaald dat de uitkering die als gevolg van een herziening van de uitkering onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het UWV van de belanghebbende teruggevorderd wordt.
Ingevolge het vierde lid van artikel 57 kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit waarbij haar WAO-uitkering is geweigerd. Niet in geschil is derhalve dat verweerder ingaande 22 november 2001 onverschuldigd uitkering heeft betaald aan eiseres Evenmin is de hoogte of de berekening van de onverschuldigd uitbetaalde uitkering in geschil.
Partijen zijn slechts verdeeld over de vraag of sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de - voor verweerder in principe verplichte - terugvordering af te zien.
De gemachtigde van eiseres stelt dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel gelet op het tijdsverloop tussen de WAO-aanvraag van 20 augustus 2001 en het uiteindelijke besluit van 9 juli 2003 naar aanleiding van deze aanvraag. Voorts is aangevoerd dat er sprake is van onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen voor eiseres: zij kreeg tijdens de bezwarenprocedure geen bijstand omdat zij geen vaste woon- of verblijfplaats had.
De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die een dringende reden vormen om van terugvordering van het totale bedrag af te zien.
De rechtbank wijst hierbij erop, dat het extreem lang (bijna twee jaar) heeft geduurd, totdat een definitieve beslissing is genomen inzake eiseresses WAO-uitkering. Eiseresses gemachtigde heeft hier terecht op gewezen. In principe hoort een tijdig ingediende aanvraag voor het einde van de wachttijd (in casu 22 november 2001) te zijn behandeld. Hier vond het verzekeringsgeneeskundig onderzoek eerst in maart 2002 plaats, terwijl het rapport dateert van 27 juni 2003(!). De beslissing volgt op 9 juli 2003. Het moge zo zijn, dat er extra loonkundig onderzoek nodig was, naar het oordeel van de rechtbank heeft deze gevalsbehandeling onaanvaardbaar lang geduurd.
Al die tijd verkeerde eiseres niet alleen in onzekerheid, maar zij bouwde ook een niet te repareren schuld op doordat verweerder voorschotten verstrekte. Het verstrekken van voorschotten lijkt heel sociaal, maar was het in dit geval niet. Immers, voor WW-uitkering voldeed eiseres niet aan de referte-eis en voor bijstand kwam eiseres evenmin in aanmerking, bij gebrek aan een vaste woonplaats, maar ook door de voorschotverstrekking. Bijstand kan voorts niet met terugwerkende kracht worden toegekend.
De rechtbank ziet niet, hoe eiseres een financiëel debacle had moeten voorkomen. Eiseres treft in deze zaak geen enkele blaam.
Verweerder heeft eiseresses schuld bovendien onnodig vergroot door in september 2002 over de voorbije periode van 10 maanden een bedrag ineens bij wijze van voorschot toe te kennen, welk bedrag op dat moment niet nodig was om in de directe behoefte van eiseres te voorzien.
Gezien het bovenstaande is verweerder in hoge mate debet aan het hoog opgelopen zijn van de schuld. De rechtbank acht dit een dringende reden, waardoor verweerder in redelijkheid niet tot een volledige terugvordering heeft kunnen komen. Artikel 57, vierde lid, zou naar het oordeel van de rechtbank volstrekt illusoir worden, als de schrijnende situatie, waarin eiseres door verweerders toedoen is komen te verkeren, niet als dringende reden is te beschouwen.
Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven en verweerder zal de hoogte van het terug te vorderen bedrag moeten herzien. De rechtbank merkt op, dat een matiging van de terugvordering tot de helft de rechterlijke toets zou kunnen doorstaan. Daarbij dient dan een betalingsregeling te worden getroffen met eiseres, waarbij rekening ware te houden met de beslagvrije voet. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat bij voldoen aan de afgesproken terugbetalingsverplichting de rest na drie jaar kan worden kwijtgescholden.
Gelet op het vorengaande zal het beroep gegrond worden verklaard.
De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,-. Ook dient het griffiegeld te worden vergoed.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
verstaat dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met in achtneming van deze uitspraak;
gelast dat het UWV het griffierecht ad €37,- aan eiseres vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ad € 644,- , te betalen door het UWV aan eiseres.
Gewezen door mw. mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2004 in tegenwoordigheid van mw. G. Ballast als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
afschrift verzonden op