ECLI:NL:RBZLY:2005:AS8547

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
2 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/445
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.H.P. Beukelman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 15 lid 3 WROArt. 19a lid 1 WROArt. 3:3 AwbArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering vrijstelling bouwvergunning windturbine wegens détournement de pouvoir

Eiser verzocht om vrijstelling ex artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) voor de plaatsing van een windturbine op een perceel bestemd voor agrarische doeleinden zonder bebouwing. Verweerder, het college van B&W van de gemeente Dronten, weigerde deze vrijstelling op grond van een beleidsvoorwaarde dat een participatieovereenkomst moest worden gesloten met omwonenden en belanghebbenden.

De rechtbank oordeelt dat het bouwplan strijdig is met het bestemmingsplan en dat vrijstelling alleen kan worden verleend indien de wettelijke voorwaarden worden nageleefd. De gemeente stelde echter een aanvullende voorwaarde die niet uitsluitend planologisch van aard was, maar vooral sociaal-economische motieven diende, namelijk het sluiten van een participatieovereenkomst.

Dit beleid is volgens de rechtbank onaanvaardbaar omdat de vrijstellingsbevoegdheid uitsluitend mag worden gebruikt ter behartiging van planologische belangen. Het opleggen van de participatievoorwaarde is een misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir) en strijdig met de artikelen 15 en 19a van de WRO.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en gelast dat de gemeente opnieuw beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die eiser heeft gemaakt.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van vrijstelling voor de windturbine wordt vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Reg. nr.: 04/445
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis,
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Dronten, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Verweerders besluit d.d. 3 maart 2004, kenmerk: U04.003204~/BJZ/AJZ/AvD.
2. Procesverloop
Bij besluiten d.d. 21 oktober en 28 oktober 2003, verzonden d.d. 30 oktober 2003, heeft verweerder eiser vrijstelling ex artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) onderscheidenlijk bouwvergunning, eerste fase, geweigerd voor de plaatsing van een windturbine op het perceel [locatie], te [woonplaats].
Het daartegen door eiser bij brief d.d. 24 november 2003 gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit heeft eiser bij beroepschrift d.d. 13 april 2004, nader gemotiveerd bij brief d.d. 17 mei 2004 beroep ingesteld.
Een verweerschrift is bij brief d.d. 22 juli 2004 ingezonden.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 24 november 2004. Eiser is vergezeld door mr. J.J. Vermeulen, voornoemd, ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. A. Deuzeman, ambtenaar van de gemeente.
Bij brief d.d. 24 januari 2005 heeft de rechtbank partijen meegedeeld dat de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak doet met zes weken wordt verlengd.
3. Motivering
Kern van dit geschil is de vraag of verweerder bij het bestreden besluit in redelijkheid zijn weigering tot verlening van vrijstelling ex artikel 19 van Pro de WRO heeft kunnen handhaven.
Niet in geschil is dat het bouwplan strijdig is met het ter plaatse geldend bestemmings- plan “Landelijk Gebied Dronten”. Immers, blijkens de bij dat plan horende kaart is het perceel [locatie], waar het bouwplan is voorzien, bestemd voor “Agrarische doeleinden, zonder bebouwing”. De bij dat bestemmingsplan horende voorschriften bevatten geen vrijstellingsbepalingen die opheffing van die strijdigheid mogelijk maakt. Om desondanks bouwvergunning te kunnen verlenen resteert, behalve herziening van dat bestemmingsplan, toepassing van artikel 19 van Pro de WRO. Gelet op het delegatiebesluit van de raad van verweerders gemeente d.d. 31 januari 2002, waarbij aan verweerder de vrijstellingsbevoegdheid ex artikel 19 van Pro de WRO is gedelegeerd, was verweerder afgezien van de overige formele vereisten in beginsel tot die beslissing omtrent vrijstelling ook bevoegd.
Van gebruikmaking van die bevoegdheid tot verlening van die vrijstelling heeft verweerder echter afgezien. Ter motivering daarvan heeft hij verwezen naar zijn op 31 augustus 1999 vastgesteld beleid: “Participatie in windmolenlijnopstellingen”. Voorzover hier van belang luidt dat beleid als volgt:
“(…)
Voordat bouwvergunning in behandeling genomen wordt dient er aangetoond te worden dat er geparticipeerd kan worden.
Minimaal participatie mogelijk voor de aanliggende kavels waarop dan geen lijn meer gerealiseerd kan worden, en voor woningen gelegen binnen een afstand van 700 meter van de eerste molen.
Indien initiatiefnemers geen overeenstemming bereiken over de mate van participatie dan mogelijk de volgende uitgangspunten hanteren (…)”.
Vast staat dat eiser noch een participatieovereenkomst heeft gesloten met degene met wie eiser volgens verweerder diende te participeren, noch een schriftelijke verklaring van laatstgenoemde heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij niet met eiser wenst te participeren. Daarmee heeft eiser volgens verweerder niet voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te kunnen komen voor een met vrijstelling te verlenen bouwvergunning voor een windturbine.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat zijn beleid is gebaseerd op de overweging dat binnen de gemeentegrenzen geen exacte locaties voor de bouw van windturbines zijn aangegeven. Ter voorkoming van bouw van windturbines op in stedenbouwkundig opzicht ongewenste plaatsen, is de voorwaarde van een participatieovereenkomst gesteld. Verweerder beoogt daarmee, blijkens het bestreden besluit, nader uiteengezet in het verweerschrift en ter zitting, tevens en vooral ook te bereiken dat niet een enkeling maar zoveel mogelijk gegadigden kunnen participeren in een windturbine om daarmee financieel profijt te kunnen trekken van de aanwezigheid van windturbines in het buitengebied.
Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van verweerders beleid, zij vooropgesteld dat de bevoegdheden die de WRO verweerder verleent, alleen strekken tot behartiging van zijn planologische belangen. Voorts geldt dat ingevolge artikel 19a, eerste lid, laatste volzin, in verbinding met artikel 15, derde lid, van de WRO aan de vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de WRO, slechts voorwaarden mogen worden verbonden ter bescherming van de belangen ten behoeve waarvan de bepalingen, waarvan vrijstelling wordt verleend, in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Daaruit vloeit tevens voort dat verweerder zijn bereidheid tot verlening van vrijstelling uitsluitend afhankelijk mag stellen van argumenten van planologische aard. Eiser heeft in dit verband in zoverre terecht gewezen op het arrest van de Hoge Raad d.d. 3 april 1998, AB 1998-241 (Alkemade).
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder, zoals blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting, niet uitsluitend om redenen van planologische aard, maar vooral uit sociaal-economische motieven de voorwaarde van sluiting van een partici- patieovereenkomst in zijn beleid heeft opgenomen en aan eiser heeft opgelegd. Immers, uit niets blijkt van planologische bezwaren van de zijde van verweerder tegen verlening van de gevraagde vrijstelling. Daaruit vloeit tevens voort dat verweerder zijn vrijstellingsbevoegdheid heeft gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze is gegeven. Dat levert schending op van het verbod van détournement de pouvoir, zoals bedoeld in artikel 3:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tenslotte wordt niet voldaan aan de artikelen 15, derde lid, jo 19a, eerste lid, van de WRO. Niet valt immers in te zien, althans verweerder heeft verzuimd dat gemotiveerd uiteen te zetten, dat een participatieovereenkomst strekt tot bescherming van de belangen van de thans vigerende bestemming “Agrarische doeleinden, zonder bebouwing”. Dat alles leidt tot de slotsom dat verweerders beleid, voorzover hiervoor aangehaald, onaanvaardbaar is wegens strijd met de wet zodat verweerder het bestreden besluit daarop niet heeft kunnen baseren.
Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder heeft derhalve opnieuw op het bezwaarschrift van eiser d.d. 24 november 2003 te beslissen. In dat kader heeft verweerder zich tevens te buigen over eisers verzoek zoals bedoeld in artikel 7:15 van Pro de Awb om vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase.
Voor veroordeling van verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het onderhavige beroep bij de rechtbank heeft moeten maken bestaat voldoende aanleiding.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
gelast dat de gemeente Dronten aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad
€ 136.00 vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644.00;
wijst de gemeente Dronten aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser.
Gewezen door mw. mr. M.H.P. Beukelman en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2005 in tegenwoordigheid van R.K. Witteveen als griffier.
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
afschrift verzonden op: 2 maart 2005.