ECLI:NL:RBZLY:2005:AU2558
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- L.T. Wemes
- G.E.A. Neppelenbroek
- H.F.J.M. Schröder
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken opzet bij toepassing landbouwvrijstelling in fiscale aangifte
De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde een zaak waarin verdachte werd vervolgd voor het onjuist en onvolledig doen van de aangifte inkomstenbelasting 1999, met name het onterecht toepassen van de landbouwvrijstelling en het niet opgeven van een belastingschadevergoeding. De verdediging voerde preliminaire verweren aan, waaronder het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld en schending van algemene procesbeginselen.
De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk een redelijk vermoeden van schuld bestond op het moment van het strafvorderlijk optreden en dat de vervolgingsrichtlijnen omtrent opzet in het fiscale strafrecht correct waren toegepast. De verdediging stelde dat verdachte een pleitbaar standpunt had ingenomen over de toepassing van de landbouwvrijstelling, hetgeen een bewijsuitsluitingsgrond vormt voor opzet.
Na beoordeling van de feiten, waaronder de complexiteit van de belastingwetgeving en de onzekerheid over het voortgezet agrarisch gebruik van de grond, concludeerde de rechtbank dat het standpunt van verdachte over de landbouwvrijstelling verdedigbaar was. Hierdoor kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk onjuiste aangifte had gedaan. De rechtbank verklaarde het subsidiair ten laste gelegde nietig en sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van opzet bij het toepassen van de landbouwvrijstelling.