ECLI:NL:RBZLY:2005:AU5988
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontbindingsvorderingen huurovereenkomst en toewijzing huurvorderingen
In deze zaak ging het om een geschil tussen huurder en verhuurder over de ontbinding van een huurovereenkomst en de betaling van huur. De huurder stelde dat er sprake was van gebreken aan het gehuurde pand, zoals bouw- en herstelwerkzaamheden, lekkages, onvoldoende verwarming en tocht, die het huurgenot ernstig zouden hebben belemmerd en ontbinding rechtvaardigden. De verhuurder betwistte deze stellingen en voerde aan dat de huurder vooraf op de hoogte was van bepaalde werkzaamheden en dat de klachten onvoldoende onderbouwd waren.
De rechtbank oordeelde dat de huurder niet had voldaan aan de voorwaarden voor indeplaatsstelling, waardoor een andere partij niet als huurder kon worden aangemerkt. Ten aanzien van de klachten over het pand stelde de rechtbank vast dat de overlast tijdelijk was geweest, dat reparaties waren uitgevoerd en dat de huurder geen deugdelijke ingebrekestellingen had gedaan. Ook waren de klachten over verwarming en tocht onvoldoende onderbouwd en had de huurder niet eerst een redelijke termijn tot herstel gesteld.
De ontbindingsvorderingen werden daarom afgewezen. Wel werden de vorderingen van de verhuurder tot betaling van achterstallige huur over de periode januari tot mei 2004 toegewezen, evenals de vorderingen tot schadevergoeding wegens het onbeheerd achterlaten van het pand en het niet afsluiten van het onderhoudscontract voor de airconditioning. De gevorderde boete en incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: De ontbindingsvorderingen van de huurder worden afgewezen, maar de huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur en schadevergoeding.