ECLI:NL:RBZLY:2006:AV1540

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
2 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
302282 HA 05-542
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.H. Canté
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding en afbreukrisico

In deze kantonzakenprocedure verzocht Bonar om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer op grond van dringende reden en subsidiair gewijzigde omstandigheden. Eerder was een vrijwel gelijk verzoek afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was dat de werknemer de extruder had stilgezet en dat collega’s niet met hem wilden samenwerken.

Bonar voerde aan dat nieuwe informatie beschikbaar was gekomen die het eerdere oordeel zou moeten herzien, waaronder verklaringen dat de extruder wel was stilgevallen en dat collega’s en leidinggevenden niet meer met de werknemer wilden samenwerken. De werknemer betwistte deze nieuwe feiten en overhandigde tegenverklaringen.

De kantonrechter oordeelde dat het verzoek niet kon worden gebruikt als verkapt hoger beroep en dat de nieuwe feiten niet voldoende aannemelijk waren. Wel was duidelijk dat Bonar de werknemer niet meer in haar organisatie wenste en dat terugkeer een groot afbreukrisico zou vormen. Daarom werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met een billijke vergoeding van €40.000 bruto ten laste van Bonar.

Bonar kreeg de mogelijkheid het verzoek in te trekken, maar werd ongeacht dat veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van een reële beoordeling van de arbeidsverhouding en de gevolgen van terugkeer voor de werknemer.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden met een billijke vergoeding van €40.000 bruto ten laste van Bonar.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD
sector kanton – locatie Deventer
zaaknr. : 302282 HA 05-542
datum : 2 februari 2006
Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
in de zaak van:
de besloten vennootschap BONAR PLASTICS B.V.,
gevestigd te Deventer,
verzoekster,
gemachtigde mr. R.H. van de Beeten, advocaat te Zevenaar,
tegen
[VERWEERDER],
wonende te [woonplaats],
verweerder,
gemachtigde mr. M.L. van Veenen, verbonden aan stichting Univé Rechtshulp te Assen.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift.
De mondelinge behandeling is gehouden op 26 januari 2006.
Verschenen zijn:
- verzoekster, bij monde van mevrouw [A], P&O manager, en bijgestaan door mr. Van de Beeten voornoemd;
- verweerder, bijgestaan door mr. Van Veenen voornoemd.
Het geschil
Verzoekster (hierna ook: Bonar) heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens primair een dringende reden, subsidiair gewijzigde omstandigheden. Verweerder (hierna ook: [verweerder]) heeft het verzoek tegengesproken, verzocht om afwijzing, subsidiair om toekenning van een billijke vergoeding volgens de uitkomst van de kantonrechtersformule bij toepassing van correctiefactor 2.
De beoordeling
1.
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:
a. [verweerder], thans [X] jaar oud, is op [datum] bij Bonar in dienst getreden en laatstelijk werkzaam in de functie van medewerker maalkamer tegen een bruto maandsalaris van € 2.152,80 inclusief ploegentoeslag doch exclusief vakantietoeslag.
b. Bij beschikking van 21 november 2005 heeft de kantonrechter van deze sector kanton een gelijkluidend verzoek van Bonar tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met [verweerder] afgewezen.
c. Na die beschikking is [verweerder] niet meer tewerkgesteld, aanvankelijk vanwege arbeidsongeschiktheid doch nadien wegens de weigering van Bonar om [verweerder] weer tewerk te stellen.
2.
Aan haar eerdere gelijkluidende ontbindingsverzoek heeft Bonar ten grondslag gelegd de stelling dat – kort samengevat - [verweerder] in 2003 schriftelijk is gewaarschuwd voor herhaaldelijk ongepast optreden tegenover collega’s, in verband waarmee hij al diverse malen intern was overgeplaatst. De maalkamer was de laatste afdeling waarin hij nog kon worden geplaatst. In september 2005 was [verweerder] opnieuw betrokken bij een conflictsituatie op de werkvloer, in het kader waarvan hem werd verweten dat hij onnodig een productiemachine, een extruder, had stilgezet. Aanvankelijk werd hem in dat verband ook discriminerend optreden verweten, doch dat verwijt is na onderzoek vervallen.
3.
Tot zijn verweer tegen dat eerdere ontbindingsverzoek heeft [verweerder], kort samengevat, aangevoerd, dat hij de schriftelijke waarschuwing uit 2003 heeft laten passeren op tactisch gronden, hoewel hij het daarmee niet eens was, en de feitelijke gang van zaken rond het incident in september 2005, zoals door Bonar gepresenteerd, weersproken. Met name heeft hij betwist dat hij de extruder heeft stilgezet.
4.
In de beschikking van 21 november 2005 heeft de kantonrechter overwogen dat weliswaar voldoende aannemelijk is geworden dat Bonar gegronde redenen had om [verweerder] in 2003 schriftelijk te waarschuwen, maar dat niet aannemelijk is geworden dat [verweerder] in het kader van het incident in september 2005 de extruder daadwerkelijk tot stilstand had gebracht. Het ontbindingsverzoek is daarop afgewezen.
5.
Thans heeft Bonar haar verzoek overwegend gegrond op hetzelfde feitencomplex als waarop haar eerdere verzoek was gebaseerd - de alinea’s 7 tot en met 24 van haar nieuwe verzoekschrift zijn zelfs woordelijk gelijk aan de alinea’s 4 tot en met 21 van haar eerdere verzoekschrift – en daaraan toegevoegd dat ten aanzien van de eerder aangevoerde verwijten na de beschikking van 21 november 2005 nieuwe informatie beschikbaar is gekomen. Die informatie komt er in het kort op neer, dat [verweerder], toen het incident van september 2005 zich voordeed, een door zijn leidinggevenden gewaarschuwd man was omdat zich kort voordien nog meer incidenten rond de extruder hadden voorgedaan waarbij [verweerder] betrokken was. Ook heeft Bonar een verklaring overgelegd van haar medewerker Nahar, waaruit kan worden afgeleid dat, anders dan de kantonrechter in de beschikking van 21 november 2005 had aangenomen, de extruder wel degelijk was stilgevallen als gevolg van de nodeloze actie van [verweerder]. Tenslotte heeft Bonar aangevoerd dat de collega’s en leidinggevenden van [verweerder] als gevolg van de recente incidenten, in het licht van de arbeidshistorie van [verweerder], te kennen hebben geven dat zij niet meer met hem willen samenwerken. Zij acht de arbeidsverhouding tussen partijen grondig verstoord. Zij heeft om die reden ook [verweerder], toen deze in december weer tot gedeeltelijke werkhervatting in staat was, niet meer tot het werk toegelaten. Zij achtte een andere beslissing, teneinde aldus een onvermijdelijke nieuwe ontsporing af te wachten geen behoorlijk personeelsbeleid.
5.
[verweerder] heeft zijn verweer tegen het eerdere verzoek herhaald en de nieuwe verklaring van zijn collega [B] tegengesproken. Hij heeft een verklaring overgelegd van een directe collega, [A}, waaruit blijkt dat deze de kritiek van Bonar op het functioneren van [verweerder] niet deelt, en aangeeft geen enkel probleem te hebben met verdere samenwerking.
6.
Voorzover het onderhavige verzoekschrift zich keert tegen de overwegingen van de kantonrechter in de beschikking van 21 november 2005 wordt het gepasseerd, omdat een verzoekschrift als het onderhavige niet kan worden gebruikt als een verkapt hoger beroep tegen een eerdere beschikking in eenzelfde procedure tussen dezelfde partijen op (overwegend) dezelfde grondslag.
7.
Voor wat betreft de beoordeling van de “nieuwe” feiten geldt het volgende. Daarbij blijkt het dan te gaan om feiten die ten tijde van de vorige ontbindingsprocedure al bekend waren, maar nog niet tot de bedrijfsleiding waren doorgedrongen en om die reden bij de behandeling van het eerdere verzoek niet zijn betrokken. Dat is een omstandigheid die voor risico van Bonar komt en die in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, niet kan leiden tot een herziening van een eerder oordeel op grond van overwegend hetzelfde feitencomplex.
8.
De stelling dat collega’s en leidinggevenden van [verweerder] te kennen hebben gegeven niet meer met hem te willen samenwerken is onvoldoende aannemelijk geworden. Niet alleen heeft [verweerder] een verklaring van een directe collega, met wie hij in dezelfde ploeg werkt, overgelegd betreffende het tegendeel, ter zitting heeft zijn direct leidinggevende de heer Hagen desgevraagd meegedeeld dat hij vond dat het op de maalkamer rustig was nu [verweerder] daar niet werkte, en dat hij onrust vreesde als [verweerder] zou terugkomen. Hij kon niet bevestigen dat collega’s van [verweerder] zich nadrukkelijk tegen verdere samenwerking met hem hebben uitgesproken, met uitzondering van de heer Nadar, maar met hem behoeft [verweerder], zo bleek ook ter zitting, niet regelmatig samen te werken. Overigens was het Nadar die [verweerder] van discriminatie beschuldigde, een beschuldiging die na onderzoek, zo heeft Bonar verklaard, niet houdbaar bleek.
9.
Rest de stelling van Bonar dat zij in ieder geval [verweerder] niet meer in haar organisatie tewerk wil stellen. Haar raadsman heeft die indruk uit het verzoekschrift desgevraagd ter zitting met stelligheid bevestigd. [verweerder] heeft verklaard graag in dienst te blijven, ook al omdat hij in 2005 weduwnaar is geworden en zich thuis alleen slecht op zijn gemak voelt.
10.
Uit het voorgaande vloeit voort dat op grond van de nieuwe argumenten van Bonar onvoldoende aanleiding bestaat het verzoek thans toe te wijzen. Echter, de kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen geen toekomst heeft als Bonar, als werkgeefster, zich onomwonden tegen voortzetting ervan heeft gekeerd. Bij een aldus door de rechter gedwongen terugkeer van [verweerder] op zijn werkplek is dan het afbreukrisico wel erg groot, met alle mogelijke negatieve gevolgen, bijvoorbeeld voor de gezondheid van [verweerder], van dien.
11.
Ontbinding van de arbeidsovereenkomst, als na te melden, is dan ook alleen geïndiceerd door de afwijzende houding van Bonar, hetgeen tot uitdrukking moet komen in de hoogte van de aan de voorgenomen ontbinding te verbinden billijke vergoeding. Die vergoeding stelt de kantonrechter op € 40.000,- bruto, mede in aanmerking genomen de gevorderde leeftijd en het beperkte scholingsniveau van [verweerder].
12.
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685, negende lid, BW zal aan Bonar een termijn worden gegund om haar verzoek desgewenst in te trekken.
13.
In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om Bonar te veroordelen in de proceskosten, ongeacht of zij haar verzoek intrekt of niet.
De beslissing
De kantonrechter:
- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 28 februari 2006 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van Bonar van een vergoeding van € 40.000,- bruto;
- stelt Bonar in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 24 februari 2006 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;
voor het geval Bonar het verzoek niet intrekt:
- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 28 februari 2006 onder toekenning aan [verweerder] ten laste van Bonar van een vergoeding van € 40.000,- bruto en veroordeelt Bonar tot betaling van dat bedrag aan [verweerder] tegen bewijs van kwijting;
ongeacht of Bonar het verzoek intrekt of niet:
- veroordeelt Bonar in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 400 voor salaris gemachtigde.
Aldus gegeven door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 2 februari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.