ECLI:NL:RBZLY:2006:AY5731
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.A. Walda
- Rechtspraak.nl
Eigendomsgeschil en terugvordering paard na strafrechtelijke veroordeling wegens diefstal
In deze zaak staat het eigendom van een paard centraal tussen eiser [A], een paardenhandelaar, en gedaagde [B], een paardenfokker. [A] stelt het paard op 24 juli 2004 van [B] te hebben gekocht en later op 10 augustus 2004 weer aan [B] te hebben verkocht, waarbij sprake zou zijn van een eigendomsvoorbehoud wegens niet volledige betaling. [B] betwist dit en stelt dat het paard altijd zijn eigendom is gebleven en dat [A] het paard op 11 augustus 2004 zonder toestemming heeft meegenomen, wat door de strafrechter als diefstal is aangemerkt.
De politierechter heeft [A] veroordeeld voor diefstal in vereniging met braak, waarbij als bijzondere voorwaarde is gesteld dat het paard binnen een maand aan [B] moet worden teruggegeven totdat de civiele rechter anders beslist. Het hoger beroep is ingetrokken, waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. In de civiele procedure stelt [A] dat hij eigenaar is en vordert hij onder meer afgifte van het fokkersbewijs, eigendomsbewijs en paardenpaspoort.
De rechtbank overweegt dat het strafrechtelijke vonnis dwingend bewijs levert van het feit van diefstal, maar dat de politierechter kennelijk niet uitsluit dat [A] op 11 augustus 2004 rechtmatige gronden had om het paard weg te nemen. De rechtbank draagt [A] op te bewijzen dat het paard vóór 11 augustus 2004 op zijn erf heeft gestaan en stelt een termijn voor bewijslevering en getuigenverhoren vast. Alle verdere beslissingen worden aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en draagt eiser op bewijs te leveren van eigendom en verblijf van het paard op zijn erf vóór 11 augustus 2004.