ECLI:NL:RBZLY:2006:AZ3405
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H. Canté
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering kennelijk onredelijk ontslag na eigen opzegging werknemer
De werknemer was sinds een bepaalde datum in dienst bij de werkgever als metaalbewerker tegen een bruto maandsalaris van € 2.027,17 exclusief vakantietoeslag. De werkgever zegde de arbeidsovereenkomst op 15 november 2005 op wegens bedrijfseconomische redenen met een opzegtermijn tot 1 maart 2006. De werknemer gaf op 9 februari 2006 aan per 13 februari 2006 niet meer voor de werkgever te zullen werken, omdat hij een vervangende werkkring had gevonden.
De werknemer vorderde een verklaring voor recht dat de opzegging door de werkgever kennelijk onredelijk was en eiste een schadevergoeding van ruim € 83.000 bruto plus incassokosten. Hij stelde dat de opzegging in strijd was met het anciënniteitsbeginsel en dat de bedrijfsvoering van de werkgever niet noodlijdend was.
De werkgever voerde verweer dat de arbeidsovereenkomst door de eigen opzegging van de werknemer op 13 februari 2006 was geëindigd, zodat de opzegging van 15 november 2005 niet meer relevant was en niet als kennelijk onredelijk kon worden aangemerkt. De kantonrechter oordeelde dat artikel 7:681 BW Pro alleen toepassing vindt indien de opzegging leidt tot het einde van de arbeidsovereenkomst, wat hier niet het geval was omdat de werknemer zelf eerder opzegde.
De vordering van de werknemer werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag wordt afgewezen omdat de arbeidsovereenkomst door eigen opzegging van de werknemer is geëindigd.