ECLI:NL:RBZLY:2006:BA8551
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.A. Walda
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vorderingen wegens ontbonden partij en proceskostenveroordeling derde partij
In deze civiele procedure stonden [A] en [B] tegenover de besloten vennootschap Meester Assurantiën BV, die inmiddels was ontbonden en bij gebrek aan baten was opgehouden te bestaan. De rechtbank oordeelde dat de vorderingen in conventie en reconventie niet-ontvankelijk waren omdat Meester niet meer bestond op het moment van dagvaarding.
Vervolgens werd de procureur van Meester of diens feitelijke opdrachtgever op grond van artikel 245 Rv Pro persoonlijk veroordeeld in de proceskosten. De procureur gaf aan dat Meester Holding BV abusievelijk opdracht had gegeven tot het voeren van verweer namens de niet-bestaande Meester. De rechtbank veroordeelde Meester Holding BV als derde partij in de proceskosten, omdat zij feitelijk de opdrachtgever was.
De proceskosten aan de zijde van [A] en [B] werden vastgesteld op respectievelijk €1.548,78 in conventie en €452,-- in reconventie. De veroordeling in proceskosten werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het vonnis werd gewezen door rechter H.C.A. Walda en op 24 mei 2006 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Vorderingen niet-ontvankelijk verklaard en Meester Holding BV veroordeeld in de proceskosten.