ECLI:NL:RBZLY:2007:BA9521
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen boete voor arbeid door vreemdeling zonder vergunning
Eiser, eigenaar van een eenmanszaak in levensmiddelen, kreeg een boete van €4.000 opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De vreemdeling had op een dag ongeveer tien minuten geholpen met het sorteren van tomaten. Eiser stelde dat het slechts een eenmalige vriendendienst betrof en dat een boete tot faillissement zou leiden.
De rechtbank oordeelde dat eiser als werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) moet worden aangemerkt en dat het laten verrichten van arbeid zonder vergunning een beboetbaar feit is. De rechtbank stelde vast dat de boetebedragen in de beleidsregels en tarieflijst niet onredelijk zijn, maar dat per geval moet worden beoordeeld of de hoogte van de boete passend is.
Hoewel de rechtbank erkende dat dreiging van faillissement een relevante omstandigheid kan zijn, vond zij dat eiser dit onvoldoende had onderbouwd. De betalingsregeling werd meegewogen. Het enkele feit dat het om een vriendendienst ging, was onvoldoende om de boete als onevenredig te beschouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de boete wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning wordt ongegrond verklaard.