ECLI:NL:RBZLY:2007:BB2199

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
6 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
125287 / HA ZA 06-1257
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.W.F. Houthoff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank vordert terugbetaling onrechtmatig afgeschreven bedrag na fraude met TIN-code

Op 22 maart 2005 heeft een cliënt van ABN AMRO, de heer A, een TIN-code aangevraagd die per post naar zijn huisadres is gestuurd maar nooit door hem is ontvangen. Met behulp van deze TIN-code werd in april en mei 2005 een bedrag van €39.000,- van de bankrekening van A afgeschreven en bijgeschreven op de bankrekening van gedaagde.

Zowel A als ABN AMRO deden aangifte van fraude/oplichting. De bank betaalde het bedrag aan A terug, die vervolgens zijn vordering op gedaagde aan de bank overdroeg middels cessie. ABN AMRO vorderde daarop het bedrag terug van gedaagde.

Gedaagde erkende dat het bedrag op zijn rekening was bijgeschreven, maar stelde dat hij onder bedreiging zijn pinpas en pincode aan een derde had gegeven, die het geld vervolgens contant opnam. De rechtbank oordeelde dat betaling en ontvangst objectief worden beoordeeld en dat het feit dat het geld op de rekening van gedaagde stond, ontvangst betekent. Het verweer van gedaagde faalde.

De rechtbank veroordeelde gedaagde tot betaling van €41.982,44 aan ABN AMRO, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2005, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €41.982,44 aan ABN AMRO met rente en proceskosten.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 125287 / HA ZA 06-1257
Vonnis van 6 juni 2007
in de zaak van
de naamloze vennootschap
ABN AMRO BANK NV,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres,
procureur mr. E.A.M. Claassen,
advocaat mr. R.P.M. Janse van Mantgem te Amsterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
procureur mr. R.K.E. Buysrogge,
advocaat mr. G.R. van der Plas te Katwijk aan Zee.
Partijen zullen hierna Abn Amro en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 december 2006
- de brief van mr Van der Plas van 22 januari 2007
- het proces-verbaal van comparitie van 15 maart 2007.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Door een client van Abn Amro, de heer [A], is op 22 maart 2005 een TIN-code aangevraagd. De brief met daarin de TIN-code is vervolgens door Abn Amro centraal via de TPG verstuurd naar het huisadres van [A]. [A] heeft meegedeeld dat hij deze brief nooit heeft ontvangen.
2.2. Van de rekening van de heer [A] bij de Abn Amro zijn daarop in de maanden april en mei 2005 diverse bedragen tot een totaalbedrag van EUR 39.000,- afgeschreven. Dit bedrag is overgeboekt naar de rekening van [gedaagde]. De heer [A] had geen opdracht gegeven tot overboeking van deze bedragen naar het rekeningnummer van gedaagde.
2.3. Zowel de heer [A] als Abn Amro hebben aangifte gedaan bij de politie Duin- en Bollenstreek/Team Noordwijk van fraude/oplichting.
2.4. Abn Amro heeft het bedrag van EUR 39.000,- aan de heer [A] betaald. De heer [A] heeft daarop zijn vordering op [gedaagde] middels een akte van cessie aan Abn Amro overgedragen.
2.5. Bij brief van 15 februari 2006 heeft Abn Amro [gedaagde] gesommeerd tot algehele betaling over te gaan voor 25 februari 2006. [gedaagde] heeft niet betaald.
3. Het geschil
3.1. Abn Amro vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 41.982,44, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [gedaagde] erkent, dat op zijn bankrekening in de maanden april en mei 2005 diverse bedragen tot een totaalbedrag van EUR 39.000,- zijn overgemaakt en dat deze bedragen afkomstig waren van een bankrekening ten name van de heer [A].
4.2. [gedaagde] voert aan, dat hij door een schoolgenoot, een zekere [B] uit [plaats], onder bedreiging is gedwongen om zijn bankpasje met pincode aan die [B] af te geven, dat hij dan ook niet de beschikking kreeg over de op zijn bankrekening gestorte bedragen, maar dat die bedragen steeds door [B] en/of anderen met de pinpas van [gedaagde] in contanten zijn opgenomen.
4.3. [gedaagde] voert aan, dat niet [A] onverschuldigd heeft betaald maar degene die de beschikking had over de TIN-code van [A]. Voorts stelt [gedaagde], dat niet aan hem betaald is, maar dat is betaald aan [B].
4.4. Beide verweren falen. De vraag of [A] heeft betaald en of [gedaagde] heeft ontvangen wordt beantwoord aan de hand van objectieve maatstaven. Van betaling en ontvangst kan derhalve ook sprake zijn als [A] zich niet realiseerde dat hij betaalde (b.v. omdat een ander zijn TIN-code gebruikte) of als [gedaagde] zich niet realiseerde dat hij ontving. Nu het geld op de bankrekening van [gedaagde] is bijgeschreven heeft [gedaagde] het geld wel degelijk ontvangen. Dat –zoals [gedaagde] stelt- het geld door [B] met behulp van de pinpas van [gedaagde] vervolgens van de bankrekening van [gedaagde] is opgenomen, doet aan de daaraan voorafgaande ontvangst op de bankrekening van [gedaagde] niet af.
4.5. Terzijde wil de rechtbank nog het volgende opmerken: Als –zoals [gedaagde] stelt- [B] hem gedwongen heeft zijn bankpasje met pincode af te geven en zijn pincode aan [B] op te geven, dan had het toch op zijn minst voor de hand gelegen, dat [gedaagde] zijn pinpasje bij de bank had laten blokkeren. Door dat na te laten heeft [gedaagde] het aan zichzelf te wijten dat hij thans door de bank wordt aangesproken.
4.6. Nu overigens geen verweer is gevoerd kan de vordering integraal worden toegewezen.
4.7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Abn Amro worden begroot op:
- dagvaarding EUR 71,32
- vast recht 925,00
- salaris procureur 1.788,00 (2,0 punten × tarief EUR 894,00)
Totaal EUR 2.784,32
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Abn Amro te betalen een bedrag van EUR 41.982,44 (éénenveertig duizendnegenhonderdtweeëntachtig euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 maart 2005 tot de dag van volledige betaling,
5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Abn Amro tot op heden begroot op EUR 2.784,32,
5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2007.