ECLI:NL:RBZLY:2007:BC8908

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
7 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
99402 / HA ZA 04-977
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Th.A. Ariëns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullende deskundigenrapportage en goodwillvordering in vennootschap onder firma geschil

In deze civiele procedure tussen partijen over de hoogte van de aan eiser te betalen goodwill in een vennootschap onder firma, heeft de rechtbank het verzoek van gedaagde om nader deskundigenonderzoek toegewezen. De rechtbank verwierp het standpunt van gedaagde dat de gerechtigdheid van eiser tot goodwill opnieuw ter discussie moet worden gesteld, aangezien dit reeds in een eerder tussenvonnis is beantwoord.

De kritiek van gedaagde op het deskundigenrapport was zodanig ernstig dat de rechtbank de deskundige in de gelegenheid stelde een aanvullend rapport te schrijven, waarin hij kan reageren op de opmerkingen en discrepanties die door gedaagde en een externe deskundige zijn ingebracht.

De rechtbank benadrukte dat de deskundige niet verplicht is zijn eerdere rapport te handhaven indien hij tot andere inzichten komt. Tevens vroeg de rechtbank partijen zich te bezinnen op de kosten van voortzetting van de procedure, aangezien het geschil zich beperkt tot de hoogte van het goodwillbedrag.

De deskundige moet uiterlijk 5 december 2007 zijn aanvullende rapport indienen, waarna de zaak op 16 januari 2008 zal worden voortgezet. De uitspraak in reconventie wordt aangehouden tot de einduitspraak in conventie.

Uitkomst: De rechtbank beveelt aanvullend deskundigenonderzoek en wijst het verzoek om heropening van de vraag naar gerechtigdheid tot goodwill af.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 99402 / HA ZA 04-977
Vonnis van 7 november 2007
in de zaak van
[A],
wonende te [plaats],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
procureur mr. J.P. van Dijk,
advocaat mr. F.A. Verberk te ’s-Hertogenbosch,
tegen
1. de vennootschap onder firma [B],
gevestigd te [plaats],
2. [C],
wonende te [plaats],
3. [D],
wonende te [plaats],
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
procureur mr. M.G.I.W. Teunis,
advocaat mr. M.E.J. van den Brand te Utrecht.
Partijen zullen hierna [A] en [B] c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 13 december 2006
- het deskundigenrapport van 5 april 2007
- de conclusie na deskundigenbericht van [A]
- de akte uitlating deskundigenrapport van [B]
- de antwoordakte na deskundigenbericht van [B].
1.2. Bij brief van 5 september 2007 heeft de griffier van de rechtbank naar aanleiding van de ernstige kritiek van [B] op de kwaliteit van het deskundigenrapport partijen een aantal opties geboden, waaronder de mogelijkheid dat bij nader tussenvonnis van de rechtbank de deskundige in de gelegenheid zou worden gesteld zich schriftelijk of mondeling ter zitting uit te laten in verband met de door [B] geleverde kritiek op zijn rapport.
1.3 Partijen hebben de rechtbank schriftelijk geantwoord. [A] heeft gesteld een eindvonnis tegemoet te zien, [B] heeft gesteld er de voorkeur aan te geven dat de deskundige de gelegenheid krijgt zijn rapport “aan te passen of te motiveren naar aanleiding van een tussenvonnis”.
1.4 Vervolgens heeft de rechtbank vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
In conventie
2.1 De rechtbank verwerpt het standpunt van [B] dat alsnog aan de orde dient te komen de vraag of [A] überhaupt tot goodwill is gerechtigd gelet op de omstandigheden zoals deze zich tussen partijen hebben voorgedaan ten tijde van het uittreden van [A] uit de vennootschap onder firma. Die vraag is door de rechtbank reeds beantwoord in het tussenvonnis van 14 december 2005, in het bijzonder in rechtsoverweging 13. De door [B] in de processtukken beschreven feiten en omstandigheden rond de breuk tussen partijen in 2002 kunnen niet leiden tot de conclusie dat [A] met zoveel woorden afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrechten uit (artikel 10 lid 4 van Pro) het firmacontract. Ten onrechte stelt [B] de vraag naar de gerechtigdheid van [A] tot goodwill opnieuw ter discussie.
2.2 Anderzijds is de kritiek van [B] op het deskundigenrapport, kritiek waarin zij wordt gesteund door een deskundige van de Koninklijke Metaalunie in een schriftelijk commentaar van 24 september 2007, dusdanig, dat daaraan niet zonder meer voorbij kan worden gegaan. De kritiek overstijgt het normale kritische commentaar dat van een partij die haar standpunten niet of onvoldoende tot hun recht ziet komen in het deskundigenoordeel, kan worden verwacht.
2.3 De rechtbank zal de deskundige drs. W. Koopman in de gelegenheid stellen in een nader rapport van zijn hand stelling te nemen in verband met de kritische opmerkingen van [B] over zijn rapport van 5 april 2007 en de discrepanties tussen dat rapport en het eerder door deze deskundige uitgebrachte conceptrapport. Verwezen wordt naar de twee conclusies na deskundigenrapport met bijlagen van [B]. Vanzelfsprekend krijgt de deskundige ook de gelegenheid om alsnog te reageren op de opmerking van [A] dat “nog altijd niet is betoogd, waarom rekening is gehouden met een normale arbeidsbeloning van EUR 40.000,-- en niet het eerder als uitgangspunt dienende bedrag van EUR 32.556,--”.
2.4 Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat de deskundige het tot zijn taak rekent de juistheid van zijn eerdere rapportage tot iedere prijs te handhaven. Indien hij tot het inzicht komt dat [B] terecht de vinger legt op zekere onjuistheden of verkeerde uitgangspunten mag van de deskundige worden verwacht dat hij de bereidheid heeft van zijn veranderd inzicht te getuigen.
2.5 Een en ander weerhoudt de rechtbank er niet van partijen te confronteren met de vraag of, nu het nog uitsluitend gaat om de hoogte van het aan [A] te betalen goodwill bedrag – van reserves is volgens de deskundige geen sprake – de oplopende kosten voortzetting van de procedure nog wel rechtvaardigen. De deskundige heeft tegenover de griffier aangegeven geen nader voorschot voor zijn aanvullende rapportage te verlangen. Om die reden wordt afgezien van het opleggen van een aanvullend voorschot.
2. De beslissing
De rechtbank
In conventie
3.1 beveelt een aanvullend onderzoek door de reeds benoemde deskundige ter beantwoording van de opmerkingen zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.3 is aangegeven,
het onderzoek
3.2 bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,
3.3 draagt de deskundige op om uiterlijk op woensdag 5 december 2007 een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.4 verwijst de zaak naar de rol van woensdag 16 januari 2008 voor conclusie na aanvullende deskundigenbericht door beide partijen,
in reconventie
3.5 houdt de uitspraak aan tot de einduitspraak in conventie.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Ariëns en in het openbaar uitgesproken op woensdag 7 november 2007.