ECLI:NL:RBZLY:2008:BC5485

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
19 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07.607376-07
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van poging tot doodslag met mes

De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van poging tot doodslag op 17 oktober 2007. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een schadevergoeding van €5.600 aan de benadeelde partij.

De rechtbank oordeelde echter dat het gebruik van een mes of ander scherp voorwerp door verdachte niet overtuigend was bewezen. Hoewel drie getuigen verklaarden dat verdachte met een mes had gestoken, waren hun verklaringen inconsistent over de lengte en het type mes. Daarnaast verklaarde de benadeelde partij zelf geen mes te hebben gezien, wat de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen ondermijnde.

Ook medische gegevens boden geen eenduidig bewijs dat de verwondingen met een mes waren toegebracht. Verder werd bij de aanhouding van verdachte geen mes aangetroffen en was er ook in de omgeving van de vechtpartij geen mes gevonden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.

De benadeelde partij werd niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding en werd verwezen naar de burgerlijke rechter.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van het gebruik van een mes bij poging tot doodslag.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnummer : 07.607376-07
Uitspraakdatum : 19 februari 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[verdachte],
[geboortedatum] 1969,
[woonplaats]
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden.
De officier van justitie, mr. M.J.E. Vink, heeft ter terechtzitting gevorderd:
- de veroordeling van verdachte ter zake poging tot doodslag tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 5.600,--, alsmede oplegging van de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van dit slachtoffer tot voornoemd bedrag;
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging)
BEWIJS
De rechtbank is er niet van overtuigd geraakt dat verdachte [benadeelde partij] op 17 oktober 2007 met een mes of een ander scherp of puntig voorwerp heeft gestoken of gesneden.
Daartoe is redengevend dat [benadeelde partij], die volgens de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] tijdens een vechtpartij in de woning van [getuige 2] en [getuige 3] door verdachte met een mes werd gestoken, heeft verklaard zelf geen mes te hebben gezien. Dit bevreemdt te meer daar het mes volgens de drie genoemde getuigen betrekkelijk groot was, in ieder geval 25 à 30 centimeter lang.
Voorts lopen de door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] gegeven beschrijvingen van het mes uiteen. Zo heeft getuige [getuige 3] tegenover de politie verklaard dat alleen het lemmet al 45 centimeter lang was. Tegenover de rechter-commissaris verklaart hij echter dat het (hele) mes 30 centimeter of iets langer was. [getuige 3] heeft verklaard dat het mes inklapbaar was, terwijl het volgens [getuige 2] niet inklapbaar was. Volgens de verklaring van [getuige 1] bij de politie ging het om een “drakenmes”, maar volgens zijn verklaring bij de rechter-commissaris was het een mes met “een soort ankerhaak” eraan. [getuige 3] heeft het echter over “een soort dolk”. Deze inconsistenties doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] op dit punt.
Voorts blijkt uit het zich in het dossier bevindende “registratieformulier Spoedeisende hulp / Acute opname registratie” niet eenduidig dat de verwondingen van [benadeelde partij] zijn toegebracht met een mes of ander scherp of puntig voorwerp. Uit dit formulier wordt immers niet duidelijk waar de diagnose, dat sprake is van een “[s]teek- /schampwond”, op is gebaseerd, anders dan op de verklaring van [benadeelde partij], welke verklaring – nu [benadeelde partij] zelf geen mes heeft gezien - kennelijk is gegrond op informatie van derden.
Ten slotte is van belang dat verdachte, die kort na de vechtpartij werd aangehouden, bij zijn aanhouding niet in het bezit was van een mes en dat ook in (de omgeving van) de woning van [getuige 2] en [getuige 3], waar de vechtpartij plaatsvond, geen mes is aangetroffen.
De verdachte dient derhalve van het ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.
Benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde partij] dient in de vordering niet ontvankelijk te worden verklaard nu de verdachte van het hem ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
BESLISSING
Ten aanzien van de tenlastelegging
Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Aldus gewezen door mr. H.M. Schaak, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en G.J.J.M. Essink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.R. Verstraeten, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2008.