ECLI:NL:RBZLY:2008:BC9653
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.P. Nieuwenhuis
- F. Koster
- M.A. Wijnands-Veninga
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontuchtige handelingen op werkvloer
De verdachte werd beschuldigd van feitelijke aanranding van de eerbaarheid door het slachtoffer te dwingen tot ontuchtige handelingen tussen 1 januari 2003 en 6 februari 2007. Verdachte erkende slechts een poging tot het openmaken van de bh-sluiting van het slachtoffer, wat volgens hem binnen de context van hun omgang viel en niet onder dwang.
Tijdens de terechtzitting werd duidelijk dat de verklaringen van het slachtoffer de enige directe bron van bewijs waren. Collega's van het slachtoffer bevestigden dat er sprake was van een probleem, maar hun verklaringen waren indirect en gebaseerd op wat het slachtoffer hen had verteld. Geen van de circa 25 personeelsleden had zelf iets gezien of gehoord van de ten laste gelegde handelingen, ondanks de openheid van de werkruimtes.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte de beschuldigingen had begaan. De erkenning van de poging tot het openmaken van de bh-sluiting werd niet als strafbaar gesteld, omdat het niet vaststond dat het slachtoffer dit onder dwang had geduld.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen.