ECLI:NL:RBZLY:2008:BD1230

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
22 april 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07.601156-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 420quater Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs witwassen geldbedragen

De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het witwassen van ongeveer 26.960 euro, afkomstig van vermoedelijke oplichting en valsheid in geschrifte. De tenlastelegging betrof het verbergen en verhullen van de herkomst en het gebruik van deze geldbedragen tussen december 2004 en maart 2005.

Tijdens de terechtzitting op 8 april 2008 ontkende verdachte wetenschap te hebben gehad van de criminele herkomst van de gelden. Zij stelde dat haar partner, met wie zij een langdurige gemeenschappelijke huishouding voerde, het beheer over haar bankrekening voerde en zij weinig zicht had op de transacties.

De rechtbank constateerde dat het eerste deel van de dagvaarding partieel nietig was wegens onvoldoende feitelijke omschrijving van de begrippen verbergen en verhullen. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat het bewijs niet overtuigend was dat verdachte wetenschap droeg of redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld afkomstig was van een misdrijf.

Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde witwassen en verklaarde de dagvaarding partieel nietig voor het eerste deel.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat zij wetenschap had van de criminele herkomst van de geldbedragen.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnummer: 07.601156-07
Datum: 22 april 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[verdachte],
[geboortedatum]
[woonplaats]
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 08 april 2008. De verdachte is ter terechtzitting van 08 april 2008 in persoon verschenen, bijgestaan door mr. G.W.B. Meijer, advocaat te Amsterdam.
De officier van justitie, mr. H. Harmeijer, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het ten laste gelegde tot een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis, met aftrek.
Tenlastelegging
Aan bovenbedoelde persoon is tenlastegelegd dat
zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2004
tot en met 31 maart 2005, in de gemeente Lelystad, althans in Nederland, van
een of meer bankbiljetten/geldbedragen, te weten een geldbedrag van (ongeveer)
6.000 Euro en/of een geldbedrag van (ongeveer) 15.943,-- Euro en/of een
geldbedrag van (ongeveer) 2.295 Euro en/of een geldbedrag van (ongeveer)
2.722,-- Euro (totaal 26.960,-- Euro), de werkelijke aard, de herkomst, de
vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of
verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat
bankbiljetten/geldbedrag(en) was/waren en/of die/dat
bankbiljetten/geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad,
en/of
een of meer bankbiljetten/geldbedragen, te weten een geldbedrag van (ongeveer)
6.000 Euro en/of een geldbedrag van (ongeveer) 15.943,-- Euro en/of een
geldbedrag van (ongeveer) 2.295 Euro en/of een geldbedrag van (ongeveer)
2.722,-- Euro (totaal 26.960,-- Euro) heeft verworven en/of voorhanden heeft
gehad en/of heeft omgezet, althans van die/dat bankbiljetten/geldbedrag(en)
gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte (telkens) wist, althans
redelijkerwijs moest vermoeden dat die bankbiljetten/geldbedrag(en) -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren van oplichting en/of valsheid
in geschrifte, althans uit enig misdrijf.
Taal en/of schrijffouten
De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
(Partiële) nietigheid dagvaarding
De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat het eerste deel van de dagvaarding partieel nietig is omdat deze onvoldoende feitelijk, en daarmee onbegrijpelijk is, immers worden door de steller van de tenlastelegging alle begrippen opgesomd welke voorkomen in de tekst van artikel 420 bis Pro en quater van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de begrippen verbergen en verhullen vervolgens op geen enkele wijze feitelijk nader worden omschreven.
VRIJSPRAAK
Verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gedragen dat de bedragen welke op haar bankrekening werden gestort en/of afgeschreven van enig misdrijf afkomstig waren. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de medeverdachte [medeverdachte], met wie zij gedurende ongeveer 14 jaar een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd, volledig het beheer voerde over haar bankrekening en zij weinig tot geen zicht had op die bankrekening.
Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is niet onomstotelijk vast komen te staan dat verdachte wetenschap droeg of heeft gedragen van het feit dat de in de tenlastelegging genoemde geldsbedragen afkomstig waren van enig misdrijf danwel redelijkerwijs het vermoeden daartoe had moeten hebben.
Het valt naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat [medeverdachte] uitsluitend het beheer heeft gevoerd over de bankrekening en verdachte daarbij volledig op haar man heeft vertrouwd.
Verdachte dient derhalve van het gehele ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.
BESLISSING
De rechtbank verklaart de dagvaarding voor wat betreft het eerste deel partieel nietig.
De rechtbank verklaart het overige ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door mr. G.J.J.M. Essink, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 april 2008.
Mr. Neppelenbroek voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.