ECLI:NL:RBZLY:2008:BD9122
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H. Meijer
- A.W.M. van Hoof
- G.E.A. Neppelenbroek
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in zaak hasjiesjhandel
De rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde op 9 juni 2008 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van betrokkenheid bij het vervoeren en verkopen van circa 1100 kilogram hasjiesj in de periode van januari tot juli 2005. De tenlastelegging betrof het medeplegen van drugshandel, onder meer door het leveren van een boot, regelen van bemanning en telefoons.
De verdediging voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank erkende de termijnoverschrijding maar oordeelde dat dit geen reden was voor niet-ontvankelijkheid, gezien de uitzonderlijke aard die daarvoor vereist is.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte betrokken was bij het strafbare feit. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van zowel de primaire als subsidiaire tenlastelegging.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer, onder voorzitterschap van G.H. Meijer, met rechters A.W.M. van Hoof en G.E.A. Neppelenbroek. De zaak werd behandeld in eerste aanleg en de uitspraak vond plaats na een openbare terechtzitting op 26 mei 2008.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs.