AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling wegens geweld bij caféruzie met verworpen beroep op noodweer
De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft op 9 september 2008 uitspraak gedaan in een zaak betreffende geweldpleging tijdens een caféruzie. Verdachte werd beschuldigd van het plegen van geweld in vereniging tegen een persoon. Hoewel verdachte stelde dat hij handelde uit noodweer, verwierp de rechtbank dit verweer omdat er geen sprake was van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Verdachte had zich kunnen onttrekken aan de situatie.
De rechtbank stelde vast dat verdachte aanzienlijk meer geweld gebruikte dan een enkele klap, wat niet in verhouding stond tot de vermeende aanval. Tevens speelde het strafrechtelijk verleden van verdachte een rol bij de strafmaat. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd hij veroordeeld tot betaling van €580 aan de benadeelde partij wegens immateriële en materiële schade.
De rechtbank wees het beroep op noodweer af en legde de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke geldboete van €400 op. De in beslag genomen pet en zegelring werden niet verbeurd verklaard maar bewaard ten behoeve van de rechthebbenden. De vordering van de benadeelde partij voor het meerdere dan toegekend werd als niet ontvankelijk verklaard voor het strafgeding en verwezen naar de burgerlijke rechter.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf en betaling van €580 schadevergoeding; beroep op noodweer verworpen.
Uitspraak
RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD
Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer
Parketnr. : 07.400024-08 (+ vtvv 24-002207-05)
Uitspraak: 9 september 2008
Vonnis in de zaak van:
het openbaar ministerie
tegen
[naam]
geboren op [geboortejaar]
wonende te [adres]
Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2008. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle.
De officier van justitie, mr. M. Brunsveld, heeft ter terechtzitting gevorderd:
- de veroordeling van verdachte terzake het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 7 maanden, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest;
- de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 1.178,65 met het opleggen van de schadevergoedingmaatregel;
- de tenuitvoerlegging van de door het gerechtshof te Leeuwarden bij arrest d.d. 6 februari 2006 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 400,00;
- de in beslag genomen pet en zegelring verbeurd te verklaren.
TENLASTELEGGING
De verdachte is ten laste gelegd dat:
(volgt tenlastelegging)
BEWIJS
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn cliënt één klap heeft uitgedeeld, maar dat er bij het uitdelen van deze klap sprake is geweest van noodweer.
De rechtbank is van oordeel, dat, zo al sprake is geweest van enige wederrechtelijke aanranding door aangever (door middel van het spugen naar verdachte, dan wel slaan), er geen sprake is geweest van een noodzakelijke verdediging door verdachte van eigen of anders lijf of goed. Uit het door verdachte naar voren gebrachte, blijkt niet dat verdachte zich heeft willen of moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, maar als reactie op een gestelde aanval heeft teruggeslagen. Verdachte had zich onder de geschetste omstandigheden echter moeten en kunnen onttrekken aan de situatie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat tussen verdachte en aangever een bar stond. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.
Tevens volgt uit het bewezen verklaarde, dat verdachte aanzienlijk meer geweld heeft toegepast, dan een enkele klap, welk geweld niet in verhouding staat tot de gestelde wederrechtelijke aanranding. Ook om deze reden faalt het beroep op noodweer.
De verdachte is derhalve strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.
OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL
Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.
De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, vooral ook gelet op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsmisdrijven, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.
Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig. Met name heeft de rechtbank geen rekening gehouden met het door verdachte aangevoerde feit dat hij circa 6 maanden in ernstige onzekerheid heeft moeten leven, omdat aangever Hiv-geïnfecteerd bleek en verdachte daarom een Hiv-test heeft moeten ondergaan. In deze periode heeft hij ook geen lichamelijk contact met zijn kinderen mogen hebben. De rechtbank acht dit een algemeen bestaand maatschappelijk risico voor mensen die zich tot bloedens toe mengen in gewelddadig gedrag. Verdachte heeft dit over zichzelf afgeroepen.
Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 12 juni 2008;
De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f wetboek van strafrecht.
Benadeelde partij
Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [naam] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit. De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde stukken, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 580,00 (zijnde de immateriële schade en de schade aan de pantalon en overhemd van aangever), vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil en te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.
De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.
De vordering van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
De rechtbank zal voorts ter zake van deze vordering aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 580,00 ten behoeve van het slachtoffer [naam].
Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de door het gerechtshof Leeuwarden bij arrest d.d. 6 februari 2006 opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 400,00.
BESLISSING
Ten aanzien van de tenlastelegging
Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.
Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.
De rechtbank bepaalt, dat nu de in beslag genomen voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, deze voorwerpen (de witte pet en de zegelring) dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende(n), nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan of kunnen worden aangemerkt.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [naam], wonende te Zwolle, van een bedrag van € 580,00 (zegge: vijfhonderd tachtig euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 28 januari 2008, tot die van de voldoening.
De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 580,00, ten behoeve van het slachtoffer [naam] te Zwolle, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 hechtenis.
De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader/mededaders heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging
De rechtbank wijst de vordering toe.
De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 24-002207-05 bij arrest d.d. 6 februari 2006 van het gerechtshof Leeuwarden voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een geldboete van € 400,00.
Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga , voorzitter, mrs. F. Koster en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Zeilstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2008.