ECLI:NL:RBZLY:2009:BL4200

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
153158 - HA ZA 09-74
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 BWArt. 3:308 BWArt. 3:318 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring vordering geldlening in nalatenschapsverdeling na echtscheiding

De zaak betreft een geschil over de verdeling van de nalatenschap van een erflater, waarbij een vordering wegens geldlening door een ex-echtgenote wordt betwist. De ex-echtgenote trachtte de lening met rente te innen, maar de rechtbank stelt vast dat deze vordering verjaard is op grond van de artikelen 3:307 en 3:308 BW, omdat er gedurende ruim twaalf jaar geen schriftelijke aanmaning of rechtsvordering is ingesteld.

De rechtbank overweegt dat de opeisbaarheid van de vordering samenvalt met de datum van de echtscheiding in 1978. Pogingen van de ex-echtgenote om de vordering te innen zijn niet voldoende om de verjaring te stuiten. Ook een ontwerp van vaststellingsovereenkomst wordt niet gezien als erkenning die de verjaring zou doen herleven.

De rechtbank gelast de verdeling van de nalatenschap waarbij ieder der erfgenamen een gelijk deel van het geldbedrag op een kwaliteitsrekening van het notariskantoor ontvangt, onder aftrek van de kosten. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De vordering wegens geldlening is verjaard en wordt afgewezen; de nalatenschap wordt verdeeld onder de erfgenamen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 153158 / HA ZA 09-74
Vonnis van 16 december 2009
in de zaak van
1. [eiser sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats],
4. [eiser sub 4],
wonende te [woonplaats],
eisers,
advocaat mr. J.C. van den Doel,
tegen
[A.],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. S.H. Baas,
en
[B.],
wonende te [woonplaats],
tussenkomende partij,
advocaat mr. S.H. Baas te Heerde.
Partijen zullen hierna [eiser] c.s. en [A.], c.q. [B.] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 29 april 2009 waarin [B.] is toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen
- het tussenvonnis van 5 augustus 2009
- het proces-verbaal van comparitie van 13 oktober 2009.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eiser] c.s. en [A.] zijn ieder voor een gelijk deel gerechtigd in de nalatenschap van [C.] (hierna te noemen: de erflater), overleden op 22 juli 1985.
2.2. Erflater is in eerste echt gehuwd geweest met [D.], welk huwelijk is ontbonden door echtscheiding; uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, te weten [eiser] c.s.
2.3. Erflater is in tweede echt gehuwd geweest [B.], welk huwelijk eveneens is ontbonden door echtscheiding; de echtscheidingsdatum is 26 januari 1978. Uit dit huwelijk is [A.] geboren.
2.4. [B.] heeft ten huwelijk aangebracht blijkens de aan de akte van huwelijkse voorwaarden d.d. [datum] vastgehechte aanbrengststaat een vordering wegens geldlening op erflater ten bedrage van fl. 2.565,00, zijnde EUR 1.163,97 (hierna aan te duiden als: de lening), met lopende rente vanaf januari 1973.
2.5. Op een van de kwaliteitsrekeningen van notariskantoor [E.] te [woonplaats] staat een bedrag ad EUR 37.324,59, exclusief rente en kosten.
2.6. Gemeld notariskantoor heeft een ontwerp van een vaststellingsovereenkomst d.d. 16 januari 2008 opgesteld tussen [eiser] c.s. en [A.].
3. Het geschil
3.1. [eiser] c.s. vorderen samengevat - te bepalen dat de verdeling van de nalatenschap van erflater zal plaats vinden en wel in dier voege dat aan ieder der erfgenamen zal worden toegescheiden 1/5e gedeelte van het geldbedrag inclusief gekweekte rente aanwezig op een van de kwaliteitsrekeningen van notariskantoor [E.] te [woonplaats], onder aftrek van 1/5e deel van de kosten, met veroordeling van [A.] in de proceskosten.
3.1.1. Bedoelde kosten bestaan uit notariskosten, leges gemeente, recherche en kadasterkosten, in totaal EUR 1.136,50, alsmede kosten die door eiser sub 4 zijn voorgeschoten, te weten de kosten van bodemonderzoek en makelaarskosten, in totaal
EUR 3.446,50.
3.1.2. De gepretendeerde vordering van [B.] is verjaard dan wel reeds voldaan.
3.2. [A.] voert gemotiveerd verweer, verwijzend naar een vordering van [B.] op de nalatenschap die laatstgenoemde al vanaf haar echtscheiding probeert betaald te krijgen.
3.2.1. Ook [B.] refereert aan de vordering die hiervoor is omschreven in rechtsoverweging 2.4 - per 1 juni 2009 inclusief rente volgens haar bedragend
EUR 19.853,39 - en die uit het bij de notaris in depot staande bedrag dient te worden voldaan alvorens de nalatenschap van erflater kan worden afgewikkeld.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het door [eiser] c.s. gevorderde (met uitzondering van de proceskosten) voor dadelijke toewijzing gereed. Zij overweegt daartoe als volgt.
4.2. De rechtbank constateert dat het enige geschilpunt dat partijen verdeeld houdt, voormelde vordering van [B.] is. Met [eiser] c.s. is de rechtbank van oordeel dat deze vordering is verjaard, waar vast staat dat in ieder geval tussen september 1994 tot eind januari 2007 - zie daaromtrent ook het proces-verbaal van comparitie - geen schriftelijke actie richting de wederpartij is ondernomen. Op de onderhavige vordering zijn de artikelen 3:307 en 308 BW van toepassing, op grond waarvan deze is verjaard door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Deze opeisbaarheid kan geacht worden te zijn samengevallen met gemelde echtscheidingsdatum. Weliswaar heeft [B.] alstoen klaarblijkelijk gedurende een aantal jaren geprobeerd de lening met rente te innen, doch de lopende verjaring is in ieder geval in een periode van ruim 12 jaren niet door middel van een daad van rechtsvervolging dan wel een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling gestuit.
Verworpen wordt voorts de stelling dat het in rechtsoverweging 2.6 gemelde ontwerp van een vaststellingsovereenkomst heeft geleid tot stuiting ex artikel 3:318 BW Pro, reeds vanwege het feit dat de verjaringstermijn op dat moment al was voltooid en dus stuiting daarvan niet meer aan de orde was. Evenmin kan worden geconcludeerd dat dit ontwerp anderszins dient te worden aangemerkt als een erkenning van de vordering die deze zou hebben doen ‘herleven’: aldus wordt namelijk miskend dat het in dezen slechts gaat om een ontwerp van een vaststellingsovereenkomst, ten aanzien waarvan tussen de betrokkenen uiteindelijk géén overeenstemming is bereikt.
4.3. Al met al kan de slotsom geen andere zijn dan dat de litigieuze rechtsvordering van [B.] uit hoofde van de lening aan erflater is teniet gegaan. De in rechtsoverweging 3.1.1 gemelde kosten zijn niet bestreden zodat deze bij de verdere afdoening van de verdeling dienen te worden verdisconteerd op de wijze als door [eiser] c.s. aangegeven.
4.4. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, ook die in het incident, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. gelast de verdeling van de nalatenschap van erflater in dier voege dat aan ieder der erfgenamen zal worden toegescheiden 1/5e gedeelte van het geldbedrag aanwezig op een van de kwaliteitsrekeningen van notariskantoor [E.] te [woonplaats], onder aftrek van 1/5e deel van de kosten,
5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2009.