ECLI:NL:RBZLY:2010:BO8989

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
28 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
179992 / KG ZA 10-609 - 2
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 1 BWArt. 592 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal derdenbeslag en lijfsdwang

In deze zaak vordert eiser de opheffing van een executoriaal derdenbeslag en het staken van lijfsdwang die op hem is gelegd. De voorzieningenrechter had reeds op 23 december 2010 beslist over de vorderingen met betrekking tot de lijfsdwang. De huidige beslissing betreft de overige vorderingen, waaronder de opheffing van het derdenbeslag.

Eiser stelt dat het beslag niet op het juiste adres is betekend, omdat hij zich op 8 november 2010 op een nieuw adres heeft ingeschreven, terwijl de betekening plaatsvond op het oude adres. Gedaagden voeren aan dat de deurwaarder de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) heeft geraadpleegd voordat de betekening plaatsvond.

De rechtbank oordeelt dat de betekening op 24 september 2010 heeft plaatsgevonden op het adres waar eiser volgens eigen stellingen was ingeschreven. Er is geen grond voor opheffing van het derdenbeslag. De vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot opheffing van het executoriaal derdenbeslag wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
Locatie Zwolle
zaaknummer / rolnummer: 179992 / KG ZA 10-609
Vonnis in kort geding van 28 december 2010
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eiser,
advocaat mr. I.S.J. Bruijn te Zwolle,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WINPLUS B.V.,
gevestigd te Boxtel,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [plaats],
gedaagden,
advocaat mr. G.J. Schras te Spijkenisse.
Partijen zullen hierna [eiser] en Winplus genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Bij vonnis van 23 december 2010 is reeds op een deel van het gevorderde beslist. Op de overige vorderingen zal bij onderhavig vonnis worden beslist.
2. Het geschil
2.1. De vordering van [eiser] strekt ertoe dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
1. de ten uitvoer gelegde lijfsdwang met onmiddellijke ingang zal opheffen, althans deze staakt totdat vonnis is gewezen en [gedaagde sub 2] en Winplus veroordeelt al die rechtshandelingen te verrichten welke hiertoe noodzakelijk zijn, op straffe van een dwangsom van € 2.500,- per dag of gedeelte van een dag dat zij daarmee in gebreke blijven;
2. op de voet van artikel 3:300 lid 1 BW Pro een dwangvertegenwoordiger zal aanwijzen die voormelde (rechts)handelingen namens [gedaagde sub 2] en Winplus zal verrichten indien zij niet aan het gebod onder 1 voldoet;
3. het executoriaal derdenbeslag onder de gemeente [plaats] zal opheffen;
4. [gedaagde sub 2] en Winplus hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, zal veroordelen in de kosten van dit geding.
2.2. Winplus voert verweer.
3. De beoordeling
3.1. Op de vorderingen onder 1 en 2 is reeds beslist bij vonnis van 23 december 2010.
[eiser] heeft ter zake deze vorderingen nog doen opmerken dat hij is “overvallen” door de deurwaarder. Aanvankelijk was door de deurwaarder aangezegd dat executoriaal beslag op zijn inboedel zou worden gelegd. De deurwaarder heeft, aldus nog steeds [eiser] - terwijl hij in de verwachting verkeerde dat de deurwaarder kwam om uitvoering te geven aan dit beslag, zonder dat [eiser] dit verwachtte [eiser] alstoen in gijzeling genomen.
De door [eiser] geschetste en door Winplus en [gedaagde sub 2] niet expliciet weersproken omstandigheden roepen de vraag op of wel aan de in artikel 592 Rv Pro genoemde vereisten, namelijk dat behoudens verlof tot dadelijke tenuitvoerlegging lijfsdwang niet ten uitvoer kan worden gelegd dan een dag na betekening van het vonnis waarin de uitvoerbaarheid bij lijfsdwang is toegestaan en dat het exploot tevens een bevel tot nakoming inhoudt, is voldaan.
Die vraag zal echter worden daargelaten, gelet op de in rechtsoverweging 3.1. gegeven motivering van het vonnis van 23 december 2010, dat zelfstandig de beslissing tot ontslag van [eiser] uit de gijzeling kan dragen.
3.2. Aan de vordering tot opheffing van het executoriale derdenbeslag heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat deze niet, althans niet op het juiste adres is aan hem overbetekend. [eiser] heeft ter zitting meegedeeld dat hij zich op 8 november 2010 heeft doen inschrijven op zijn nieuwe adres ([adres 1] te [plaats]) en dat hij daarvoor was ingeschreven op het adres [adres 2] te [plaats]. Winplus en [gedaagde sub 2] hebben doen opmerken dat de deurwaarder, zoals te doen gebruikelijk, alvorens tot overbetekening over te gaan, de GBA zal hebben geraadpleegd.
3.3. Vooralsnog moet worden aangenomen dat overbetekening op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Uit de in het geding gebrachte betekeningsstukken blijkt dat op 24 september 2010 overbetekening heeft plaatsgevonden aan het adres [adres 2] te [plaats], zijnde het adres waar [eiser] volgens zijn eigen stellingen was ingeschreven. In de wijze waarop de overbetekening heeft plaatsgevonden kan derhalve geen grond worden gevonden voor opheffing van het executoriaal derdenbeslag. Nu evenmin van andere gronden is gebleken zal deze vordering derhalve worden afgewezen.
3.4. Nu partijen over en weer deels in het (on)gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden
4. De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1. wijst de vorderingen sub 3 en 4 af;
4.2. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij met haar eigen kosten belast blijft.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2010.