3.
De kantonrechter acht met name de volgende feiten en omstandigheden van belang.
a.
[verzoekster] heeft ter zitting aangevoerd dat zij op medische gronden niet in staat is gedurende vier dagen per week met de trein naar en van Zwolle te reizen. Volgens [verzoekster] kan zij het treinreizen thans alleen volhouden omdat zij pijnstillers slikt en ’s avonds vroeg naar bed gaat.
Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Uit de hiervoor genoemde spreekuurversla-gen en de second opinion volgt niet dat [verzoekster] medisch gezien niet tot bedoeld treinreizen in staat is. Evenmin is deze stelling aannemelijk gemaakt door middel van het spreekuurverslag van 24 januari 2011 waarnaar [verzoekster] in dit verband heeft verwezen. Ook in dit verslag heeft de bedrijfsarts wederom vastgesteld dat de klachten van [verzoekster] voortkomen uit ‘onwelbevinden door het conflict’. De bedrijfsarts acht [verzoekster] arbeidsgeschikt nadat zij met haar werkgever heeft gesproken, waarbij de bedrijfsarts kennelijk doelt op de oplossing van het gerezen conflict samenhangend met de bedrijfsverplaatsing.
b.
De stelling van [verzoekster] dat zij medisch gezien niet in staat is vier dagen per week naar en van Zwolle met de trein te reizen blokkeert wel elke (financiële) oplossing van het conflict, tenzij de arbeidstijd per week wordt gehalveerd zodat [verzoekster] slechts twee dagen per week hoeft te reizen wat volgens haar nog wel haalbaar is. Die halvering is echter ook geen optie voor [verzoekster]. De kantonrechter heeft partijen om die reden tijdens de mondelinge behandeling niet naar de onderhandelingstafel verwezen om alsnog een voor beide partijen acceptabele fi-nanciële regeling overeen te komen. Door middel van een andere financiële regeling kan aan de bezwaren van [verzoekster] immers niet worden tegemoetgekomen.
c.
De hiervoor onder 1.3 verwoorde voorstellen van Vitea zijn niet onredelijk te noemen, maar wel aan de magere kant. Gegeven de gevorderde leeftijd van [verzoekster], waarbij reizen eerder als een bezwaar wordt ervaren, en de totale reisduur per dag (in totaal 4 uren per dag bij een werk-dag van 7 uren), had van Vitea een ruimhartiger voorstel mogen worden verwacht. Vooral de gewenningsperiode ten aanzien van de reistijd is aan de korte kant (uiteindelijk beperkt tot 1 april 2011, al was de reële werktijd tot die datum wel beperkt tot slechts 4½ uren per dag, im-mers van 10.00 tot 14.30 uur), terwijl ook de periode waarin de reiskosten worden vergoed (één jaar) aan de korte kant is. Daarbij moet dan wel weer worden aangetekend dat een ruimhartiger voorstel niet tot een oplossing had geleid, gegeven de bezwaren van [verzoekster] tegen het reizen op vier dagen.
d.
Van [verzoekster] kan in redelijkheid niet worden verlangd te verhuizen nu zij onweersproken heeft gesteld dat haar echtgenoot zelfstandig ondernemer (in VOF-verband) is, wat een verhui-zing bezwaarlijk maakt. Overigens heeft [verzoekster] aanvankelijk gesteld dat haar gezin af-hankelijk is van haar inkomen, maar die stelling is kennelijk slechts ten dele juist.
e.
De redelijkheid van het besluit van Vitea de administratieve werkzaamheden in Zwolle te con-centreren is door [verzoekster] niet ter discussie gesteld, zodat de kantonrechter dit tot uitgangs-punt neemt. Het tegenvoorstel van [verzoekster] gedurende twee dagen per week thuis werk-zaamheden te verrichten stuit bij Vitea op bezwaren, omdat [verzoekster] in verband daarmee beschikking moet hebben over stukken (facturen) die bij voorkeur op het kantoor van Vitea moeten blijven. De kantonrechter acht dit bezwaar uiteindelijk voldoende aannemelijk gemaakt, hoewel ook de indruk bestaat dat Vitea vanwege de haar irriterende opstelling van [verzoekster] niet (meer) gemotiveerd is aan (gedeeltelijk) thuiswerken haar medewerking te verlenen.
f.
[verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat zij pogingen heeft ondernomen in de voorbije periode dichter bij huis een baan te vinden en dat zij daarin, mede ten gevolge van haar gevor-derde leeftijd, niet is geslaagd. Haar positie op de arbeidsmarkt is daarom bepaald niet florissant te noemen, al moet daarbij wel worden aangetekend dat de na de ontbinding van de arbeids-overeenkomst vermoedelijk intredende werkloosheid mede het gevolg is van de keuze van [ver-zoekster] zelf de arbeidsovereenkomst te doen beëindigen.
g.
De gevolgen van de keuze van Vitea de arbeid te Zwolle te concentreren komen geheel voor haar rekening en risico.