Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZLY:2011:BQ9148

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
21 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
Awb 10/1821
Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 11 WWBArt. 15 WWBArt. 16 WWBArt. 26 Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor fornuis en oven aan niet-rechtmatig verblijvende eisers

Eisers, die al geruime tijd in noodopvang verblijven, vroegen bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een fornuis en oven. De gemeente Almere wees dit verzoek af omdat het Leger des Heils al een kookplaat en fornuis had verstrekt, wat als een passende voorliggende voorziening werd gezien. Daarnaast hadden eisers geen rechtmatig verblijf in Nederland, waardoor zij volgens de Wet Werk en Bijstand (WWB) geen aanspraak konden maken op bijstand, ook niet bij zeer dringende redenen.

De rechtbank bevestigde dat het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus in de WWB verenigbaar is met internationale non-discriminatiebepalingen. Eisers voerden aan dat het bezit van een oven tot de 'very essence' van het privé- en gezinsleven behoort zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro, maar de rechtbank oordeelde dat dit begrip beperkt is tot fundamentele aspecten zoals menselijke waardigheid en vrijheid, en dat het verzoek geen positieve verplichting tot bijstand oplevert.

De rechtbank concludeerde dat de weigering van bijzondere bijstand terecht was en dat er geen sprake was van een aantasting van de kern van het privéleven. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van bijzondere bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector Bestuursrecht
Registratienummer: Awb 10/1821
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
Eisers te woonplaats,
gemachtigde: mr. W.G. Fischer,
en
het college van burgemeester en wethouders van Almere,
gevestigd te Almere, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juni 2010 heeft verweerder de aanvraag om bijzondere bijstand van eisers afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 14 oktober 2010 ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
Het beroep is ter zitting van 10 maart 2011 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Bootsma.
Overwegingen
1. Eisers verblijven al enige jaren in de noodopvang aan de (…) te (…). Deze noodopvang is door verweerder uitbesteed aan het Leger des Heils.
Op 27 mei 2010 is namens eisers een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van een fornuis en een oven.
Deze aanvraag is afgewezen bij besluit van 23 juni 2010, welke afwijzing is gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 14 oktober 2010.
Verweerder legt daaraan ten grondslag dat het Leger des Heils inmiddels, vanuit de zorg voor noodzakelijke gebruiksgoederen voor eisers, heeft voorzien in een kookplaat en een fornuis voor eisers. Er is dus geen sprake (meer) van noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand kan worden verstrekt. Het Leger des Heil kan worden gezien als een passende en toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van Pro de WWB. Verder zijn eisers geen rechthebbenden, gelet op artikel 16, tweede lid, in samenhang met artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Er is geen sprake van zeer dringende redenen op grond waarvan eisers toch in aanmerking zouden moeten worden gebracht voor bijzondere bijstand.
2. Namens eisers wordt hier tegenin gebracht dat zij een gasfornuis (met oven) hadden dat is stukgegaan; zij willen een oven en hebben een kookplaat gekregen. Ten onrechte meent verweerder dat het Leger des Heils is te zien als een voorliggende voorziening. Voorts was aanvankelijk niet in de noodzakelijke gebruiksvoorzieningen voorzien. Verweerder heeft de plicht te helpen en kan daar niet mee stoppen nu het aankomt op zoiets als een oven.
3.1. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Niet in geschil is dat verzoekers geen Nederlander zijn en nimmer rechtmatig in Nederland verblijf hebben gehad krachtens een verblijfsvergunning of andere verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, van de Vw 2000.
Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen vreemdelingen zijn als bedoeld in artikel 11, eerste of tweede lid, van de WWB en niet met een Nederlander kunnen worden gelijkgesteld, zodat zij geen recht hebben op algemene en bijzondere bijstand. Als gevolg hiervan vallen zij onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, zodat aan hen zelfs in geval van zeer dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid van dat artikel geen uitkering ingevolge de WWB kan worden toegekend.
De Centrale Raad van Beroep heeft al in vele uitspraken, onder meer in de uitspraak van 26 juni 2001 (LJN: AB2276) geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden toegekend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse — rechtstreeks werkende — bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. De Raad heeft het ter verwezenlijking van de doelstellingen van de koppelingswetgeving binnen het kader van de opeenvolgende bijstandswetten gehanteerde middel (het onthouden van het recht op bijstand) steeds aanvaardbaar geacht in situaties als hier aan de orde.
3.2. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond om in hun geval anders te oordelen. Dat het bezit van een eenvoudige oven, zoals ter zitting is betoogd, behoort tot “the very essence of family and private life”, die ingevolge artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerd zou moeten worden, volgt de rechtbank niet.
Het Europese Hof voor de rechten van de mens merkt als “the very essence”van het EVRM aan, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van Pro het EVRM besloten liggende respect op het privé-leven en gezinsleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen, alsmede het gezinsleven te beschermen. Dit artikel kan onder omstandigheden een positieve verplichting meebrengen die noodzakelijk is voor een effectieve waarborg van het recht op privé-leven en bescherming van het gezinsleven, waarbij de Staat bij de besteding van publieke middelen een extra ruime “margin of appreciation” toekomt. Voorts wordt bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toegekend aan de al dan niet legale status van het verblijf van een betrokkene.
In de situatie van eisers is geen sprake van een zodanige aantasting van deze “very essence” dat dit zou moeten leiden tot een positieve verplichting voor verweerder om via het verstrekken van bijzondere bijstand voor de gewenste oven te zorgen. De normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van eisers is niet onmogelijk gemaakt door de weigering bijzondere bijstand te verstrekken. Van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
3.3. Verweerder heeft het verzoek om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen en heeft op goede gronden geen aanleiding gezien de bezwaarkosten te vergoeden. Het betoog ter zitting, dat in bezwaar dan wel beroep via een truc is tegemoetgekomen aan het bezwaar, waardoor een bezwaar- en/of proceskostenvergoeding in de rede zou liggen, slaagt niet.
4. Het beroep is daarom ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H. den Haan, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en mr. W.F. Bijloo, rechters, en door de voorzitter en mr. D. Hardonk-Prins als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.