ECLI:NL:RBZLY:2011:BV2207
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende aannemelijkheid vordering en belangenafweging
De Rechtbank Zwolle-Lelystad behandelde een kort geding over de opheffing van conservatoir beslag gelegd door [F c.s.] op onroerende zaken van BMA Vastgoed B.V. en derden. Eisers vorderden opheffing van het beslag, stellende dat de vordering van [F c.s.] ondeugdelijk was en de beslaglegging onnodig.
De voorzieningenrechter oordeelde dat opheffing van het beslag kan worden bevolen indien summierlijk blijkt dat het ingeroepen recht ondeugdelijk is of het beslag onnodig is. Uit de feiten bleek dat de vorderingen van [F c.s.] onvoldoende aannemelijk waren, maar dat het belang van [F c.s.] bij handhaving van het beslag zwaarder woog dan het belang van BMA c.s. bij opheffing, mede omdat er ook beslagen van derden op de onroerende zaken rusten.
De rechtbank bepaalde dat [F c.s.] de beslagen op BMA Vastgoed B.V. pas hoeft op te heffen binnen zeven dagen nadat alle beslagen van derden zijn opgeheven. De reconventionele vorderingen van BMA c.s. wegens misbruik van bevoegdheid werden afgewezen. Proceskosten werden verdeeld met een beperkte dwangsom opgelegd aan [F c.s.].
Uitkomst: Het conservatoir beslag blijft gehandhaafd totdat alle beslagen van derden zijn opgeheven, waarna [F c.s.] de beslagen onder BMA Vastgoed B.V. binnen zeven dagen moet opheffen.