ECLI:NL:RBZLY:2012:2179

Rechtbank Zwolle-Lelystad

Datum uitspraak
26 september 2012
Publicatiedatum
25 juni 2015
Zaaknummer
182498 / HL ZA 11-258
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.W.F. Houthoff
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:448 BWArt. 1:449 BWArt. 225 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder blijft bevoegd procedure voort te zetten na overlijden onderbewindgestelde

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de bewindvoerder bevoegd bleef om de procedure voort te zetten na het overlijden van de onderbewindgestelde. De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 1:448 lid 3 BW Pro de bewindvoerder verplicht blijft te handelen totdat de erfgenaam het beheer aanvaardt. Omdat niet was gesteld dat de erfgenaam de procedure had overgenomen, bleef de bewindvoerder bevoegd en ontvankelijk.

De inhoudelijke beoordeling betrof een vordering tot betaling van € 5.656,13, waarvan eiseres stelde dat gedaagde had toegezegd dit bedrag terug te betalen. Eiseres werd toegelaten tot bewijs door getuigenverklaring, maar haar eigen verklaring als partij-getuige kon slechts aanvullend zijn. Er werd onvoldoende aanvullend bewijs geleverd om de toezegging te bewijzen.

De rechtbank concludeerde dat de vordering niet was bewezen en wees deze af. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 1.602,00. Het vonnis werd gewezen door rechter J.W.F. Houthoff en op 26 september 2012 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot betaling van € 5.656,13 wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

VONNIS
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
Locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: 182498/ HL ZA 11-258
Vonnis van 26 september 2012 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. J.A. Heeren te Haarlem,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. J.A. Neslo te Almere.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 april 2012;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2012;
- de brief van mr. Heeren aan de rechtbank d.d. 6 september 2012;
- de akte verzoek niet-ontvankelijkverklaring van [gedaagde] d.d. 6 september 2012;
- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 september 2012.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Ontvankelijkheid

2.1.
Mr. Heeren, advocaat van [eiseres], heeft op 6 september 2012 een
brief aan de rechtbank gezonden waarin hij het volgende schreef:
"Mevrouw [A] is overleden en daarmee is er een einde gekomen aan de
bewindvoering van mevrouw [eiseres]. In overleg met de broer van mevrouw
[A], de heer [B] ( ... ) en mevrouw [eiseres],
heeft de heer [B] mij laten weten dat hij als erfgenaam de procedure voor uw
rechtbank wil voortzetten. Hij had al eerder mevrouw [eiseres] gemachtigd om de nalatenschap af te handelen. ( ... ) Hij heeft mij daarop telefonisch benaderd en in het gesprek laten weten dat op zijn verzoek mevrouw [eiseres] deze zaken
afhandelt".
2.2.
Vervolgens is namens [gedaagde] een akte verzoek niet-ontvankelijkverklaring
ingediend, waarin onder verwijzing naar artikel 1 :449 BW is gesteld dat [eiseres] gezien het overlijden van de heer en mevrouw [A] niet meer bevoegd is om de
onderhavige procedure te voeren, reden waarom is verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres].
2.3
De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Gelet op het bepaalde in artikel 1 :448, derde lid BW, blijft een gewezen bewindvoerder
verplicht al datgene te doen, wat niet zonder nadeel voor de rechthebbende kan worden
uitgesteld, totdat degene die na hem tot het beheer van de goederen bevoegd is - in dit geval de erfgenaam: de heer [B] - dit heeft aanvaard. Nu niet is gesteld of gebleken dat de heer [B] de procedure heeft overgenomen, blijft [eiseres] bevoegd en op grond van voornoemd artikel zelfs gehouden de procedure voort te zetten. Ook van een schorsing van de procedure van rechtswege is geen sprake, nu uit artikel 225 Rv Pro, aantekening b en c in Tekst & Commentaar volgt dat voor het inroepen van een schorsingsgrond partij-initiatief van de partij aan wier zijde de schorsings- oorzaak zich voordoet, vereist is. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiseres] dan ook wel degelijk bevoegd de onderhavige procedure te voeren en derhalve ontvankelijk.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De rechtbank blijft bij hetgeen in het tussenvonnis van 18 april 2012 is overwogen.
3.2.
Bij tussenvonnis van 18 april 2012 heeft de rechtbank [eiseres]
toegelaten tot het bewijs door getuigen dat [gedaagde] heeft toegezegd het bedrag van
€ 5.656,13 te zullen betalen.
3.3.
Tijdens de enquête heeft [eiseres] als partij getuige verklaard dat
[gedaagde] na afloop van de politierechterzitting d.d. 12 augustus 2009 te Haarlem heeft
toegezegd het bedrag van € 5.656,13 terug te betalen. [eiseres] heeft hierover verklaard dat zij [gedaagde] duidelijk heeft gezegd dat het om dat bedrag ging en dat het derhalve niet mogelijk is dat zij een ander bedrag in haar hoofd had met betrekking tot de terugbetaling. De echtgenoot van mevrouw [eiseres], de heer [C], heeft als getuige verklaard dat hij niet mee was naar de zitting in Haarlem.
3.4.
Nu de verklaring van [eiseres] zelf, aangezien zij partij getuige is,
enkel kan strekken ter aanvulling van overig bewijs en dit overige bewijs niet is geleverd, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] niet is geslaagd in haar bewijs-opdracht.
Ook uit het door [gedaagde] en haar echtgenote, mevrouw [D], tijdens de
contra-enquête verklaarde is niets naar voren gekomen dat noopt tot een ander oordeel.
3.5.
De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat [gedaagde] heeft toegezegd het bedrag
van € 5.656,13 terug te zullen betalen. Van een grond waarop [gedaagde] gehouden is het
gevorderde bedrag van € 5.656,13 aan [eiseres] te voldoen, is dan ook niet
gebleken, reden waarom de vorderingen zullen worden afgewezen.
3.6.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten
worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 258,00
- getuigenkosten 0,00
- salaris advocaat
1.344,00(3,5 punten x tarief€ 384,00)
Totaal € 1.602,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot
op heden begroot op € 1.602,00,
4.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op
26 september 2012.