ECLI:NL:RBZLY:2012:BX9610
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Betaling advocatendeclaratie door gefailleerde vennootschap ondanks opdracht moedervennootschap
De zaak betreft een geschil over de betaling van een advocatendeclaratie van EUR 25.544,89, die door de gefailleerde vennootschap aan het advocatenkantoor is voldaan, terwijl volgens de curator de opdrachtgever de niet-gefailleerde moedervennootschap was. De curator stelt dat de betaling onverschuldigd was en terugbetaald dient te worden aan de boedel.
De rechtbank constateert dat er een e-mailcorrespondentie en administratieve aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat de werkzaamheden van het advocatenkantoor ten behoeve van de moedervennootschap zijn verricht, terwijl de betaling door de gefailleerde plaatsvond. De curator beroept zich daarnaast op het fixatiebeginsel uit artikel 23 Faillissementswet Pro en betwist dat de betaling ten laste van de boedel is gekomen.
De verdediging voert aan dat er wel degelijk een overeenkomst van opdracht tussen het advocatenkantoor en de gefailleerde is gesloten en dat de betaling niet ten laste van de boedel is gekomen, omdat de gelden uit een kredietfaciliteit van de Rabobank kwamen. De curator heeft erkend dat de Rabobankvordering niet verifieerbaar is, maar stelt dat hij wel belang heeft bij de vordering.
De rechtbank acht het debat over het belang van de curator onvoldoende duidelijk en stelt partijen in de gelegenheid zich nader uit te laten over de status van de Rabobankvordering en het belang van de curator bij de vordering. De zaak wordt aangehouden voor nadere stukken en een vervolgrolzitting.
Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en stelt partijen in de gelegenheid zich nader uit te laten over het belang van de curator bij de vordering.