ECLI:NL:RBZLY:2012:BY8715
Rechtbank Zwolle-Lelystad
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering medehuur woonwagenstandplaats wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
In deze huurzaak vordert het achterkleinkind van de overleden huurster voortzetting van de huurovereenkomst van een woonwagenstandplaats op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Hij stelt dat hij met zijn overgrootmoeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde en dat hij zijn hoofdverblijf op de standplaats had. De gemeente betwist dit en vordert ontruiming.
De rechtbank stelt vast dat het achterkleinkind sinds april 2009 op het adres staat ingeschreven en dat hij vanaf februari 2011 de huur betaalde. Echter, het feit dat hij zich inschreef en huur betaalde, is onvoldoende bewijs voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank overweegt dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding in een dergelijke familierelatie niet snel wordt aangenomen en dat de omstandigheden wijzen op een aflopende samenwoning.
De rechtbank concludeert dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor medehuur en wijst de vordering af. De gemeente wordt in het gelijk gesteld en het achterkleinkind wordt veroordeeld tot ontruiming van de standplaats binnen veertien dagen, met een dwangsom bij niet-naleving. Proceskosten worden aan het achterkleinkind opgelegd.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de ontruiming van de standplaats wordt bevolen.