ECLI:NL:RBZUT:1999:AA3737
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen herziening WAO-uitkering na intrekking besluit
Eiser, geboren in 1955, ontving sinds 1990 een WAO-uitkering wegens rugklachten. Na eerdere herzieningen werd op 16 juli 1997 zijn uitkering vastgesteld op 35-45% arbeidsongeschiktheid. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit. Naar aanleiding hiervan stelde verweerder een nieuw onderzoek in, waarna op 3 februari 1998 een bestreden besluit werd genomen waarin het eerdere besluit werd ingetrokken en de uitkering werd herzien met ingang van 18 februari 1998.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit geen besluit op bezwaar is, maar een nieuw primair besluit over een andere datum, waartegen geen beroep bij de rechtbank openstaat. Het beroep van eiser werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, aangezien verweerder ten onrechte had gewezen op de mogelijkheid tot beroep bij de rechtbank.
De rechtbank benadrukte dat de gedragslijn van verweerder, waarbij een uitlooptermijn wordt gegund na kennisgeving van arbeidsmogelijkheden, begrijpelijk is maar niet verenigbaar met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak sluit met de mededeling dat tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.